Erfrecht hangt nauw samen met huwelijksvermogensrecht. De omvang van de nalatenschap wordt mede bepaald door het huwelijksgoederenregime van erflater. En het huwelijksgoederenregime van de verkrijger is van invloed is weer van invloed op wat er wordt verkregen.
Zo ook in het geval dat aan de orde was in de conclusie van het Parket bij de Hoge Raad d.d. 19 mei 2017 en gepubliceerd op 8 september 2017.
Deze zaak betrof de verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap nadat partijen (hierna: de man resp. de vrouw) van echt gescheiden zijn. In cassatie gaat het nog slechts om de vraag of de woning met landbouwgrond (hierna: de woning) die de man van zijn ouders had verkregen nog voordat hij in het huwelijk was getreden, in deze gemeenschap is gevallen.
De man had samen met zijn moeder van de vader geërfd: allebei de helft van de helft van de woning van de vader en de moeder. De man zou dus voor 25% eigenaar van de woning worden, de moeder voor 75%. De vader had geen testament, er was dus geen uitsluitingsclausule.
De man en de moeder hebben zodanig verdeeld dat de hele woning aan de man is toegedeeld, via een lening bij de moeder die later is kwijtgescholden is de man eigenaar van de hele woning geworden. Aan de kwijtschelding is wel een uitsluitingsclausule verbonden.
Tijdens de echtscheiding stelt de man zich op het standpunt dat een kwart van de woning in de huwelijksgoederengemeenschap valt. De vrouw is van mening dat de hele woning in de gemeenschap van goederen valt.
De rechtbank was het met de vrouw eens en oordeelde dat uit de uitsluitingsclausule niet kon worden afgeleid dat ¾ gedeelte van de woning buiten de te verdelen gemeenschap diende te blijven, zodat de volledige waarde van de woning in de verdeling moest worden betrokken. De man ging in hoger beroep.
Ook het Hof is het met de vrouw eens. Het Hof verwijst naar artikel 3:186 lid 2 Burgerlijk Wetboek (verder: BW): een deelgenoot houdt hetgeen hij verkrijgt onder dezelfde titel als waaronder de deelgenoten dit tezamen voorafgaand aan de verdeling hielden. Ook na de verdeling houdt de man derhalve de woning ten titel van erfrecht, zonder dat daarop een uitsluitingsclausule van toepassing is.
De advocaat-generaal (AG) bij de Hoge Raad oordeelt anders.
Artikel 3:186 BW luidt als volgt:
lid 1. Voor de overgang van het aan ieder der deelgenoten toegedeelde is een levering vereist op dezelfde wijze als voor overdracht is voorgeschreven.
lid 2. Hetgeen een deelgenoot verkrijgt, houdt hij onder dezelfde titel als waaronder de deelgenoten dit tezamen vóór de verdeling hielden.
De AG meent dat niet te ontkennen valt dat er tussen het moment van erfopvolging en dat van verkrijging door een erfgenaam van de hem in een verdeling toegedeelde goederen wel degelijk het een en ander heeft en/of kan hebben plaatsgevonden, en dat die gebeurtenissen of handelingen ook gevolgen met zich (kunnen) brengen. Het is dan ook minstgenomen twijfelachtig, aldus de AG, of art. 3:186 lid 2 BW het gevolg moet hebben dat het hof in de nu voorliggende zaak eraan heeft verbonden, en of het derhalve in de weg zou staan aan de werking van de door de moeder bij haar gift ter gelegenheid van de verdeling opgenomen uitsluitingsclausule, op de grond dat de man hetgeen hij bij de verdeling verkrijgt (de woning) geacht wordt geheel ten titel van erfrecht te hebben verkregen.
In het hier voorliggende geval is er niet alleen nog een aanvullend samenstel van rechtshandelingen geweest waarbij de moeder in het kader van de verdeling in feite om niet over haar aandeel in (de woning in) de huwelijksgoederengemeenschap en nalatenschap beschikte, maar nam zij daarbij een (aan deze gift verbonden) uitsluitingsclausule op, en vooral dat laatste brengt zijn eigen gevolgen met zich. Die gevolgen beoogt art. 3:186 lid 2 BW niet te blokkeren, aldus de AG.
Het ruim baan geven aan de mogelijkheid tot het maken van een uitsluitingsclausule, ook bij een gift van de ene deelgenoot aan de andere bij de verdeling van de gemeenschap, strookt met het doel van de uitsluitingsclausule in het algemeen: het geven van vrijheid aan de schenker (of erflater) om te bepalen wat er in huwelijksvermogensrechtelijke zin met zijn schenking (of het krachtens erfrecht van hem verkregene) gebeurt en het daarbij geven van voorrang aan diens wil boven het door de begiftigde (of krachtens erfrecht verkrijgende) en zijn echtgenoot gekozen huwelijksvermogensregime, althans voor zover de schenker (of erflater) de geschonken (of nagelaten) goederen buiten een gemeenschap en/of verrekening tussen de begiftigde (of krachtens erfrecht verkrijgende) en zijn echtgenoot wil houden.
Uit de uitspraak kan worden opgemaakt dat de man drie jaar lang heeft moeten procederen om gelijk te krijgen. In dit geval wint de aanhouder!
Klik hier voor de gehele uitspraak, waarin de Hoge Raad de zaak naar een ander Hof verwijst.