Van onze advocaat erfrecht. Op 22 juni 2017 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan over de vraag of de erfgenaam recht had op betaling van een beëindigingsvergoeding na het overlijden van de werknemer?

De advocaat van eiser heeft gesteld dat erflater aanspraak kon maken op een ontslagvergoeding op basis van het Sociaal Plan, welke aanspraak na diens overlijden op de erfgenaam is overgegaan.

Eerst moet de vraag worden beantwoord of erflater recht op de beëindigingsvergoeding had.

Vaststaat dat erflater boventallig was verklaard. R heeft de arbeidsovereenkomst met erflater, in verband met zijn boventalligheid, opgezegd per 31 oktober 2014. In de opzeggingsbrief is medegedeeld dat het Sociaal Plan op hem van toepassing is. Artikel 4.1 van het Sociaal Plan luidt: Wordt de arbeidsovereenkomst van een boventallige Werknemer beëindigt dan heeft hij recht op een eenmalige beëindigingsvergoeding ter compensatie van lagere looninkomsten en/of uitkeringen krachtens de sociale zekerheidswetgeving.

Gelet op deze feiten moet worden geoordeeld dat het recht op de beëindigingsvergoeding is ontstaan op het moment van de opzegging. R heeft zich door de opzegging onder toepasselijkheid van het Sociaal Plan jegens erflater verbonden om de beëindigingsvergoeding te betalen.

De beëindigingsvergoeding was opeisbaar op 31 oktober 2014. Erflater is voordien, op 28 september 2014, overleden. Dat heeft echter niet tot gevolg dat de vergoeding niet, vanaf 31 oktober 2014, opeisbaar is. De verschuldigdheid of opeisbaarheid van de vergoeding is niet afhankelijk gesteld van het in leven zijn van erflater. Noch in het Sociaal Plan, noch in de opzeggingsbrief is een dergelijke voorwaarde gesteld.

De advocaat van R heeft aangevoerd dat uit artikel 4.1 van het Sociaal Plan volgt dat de beëindigingsvergoeding dient ter compensatie van lagere looninkomsten en/of uitkeringen krachtens de sociale zekerheidswetgeving, en dat, nu erflater vóór de einddatum van de arbeidsovereenkomst is overleden, hij ook niet met lagere inkomsten en/of uitkeringen is geconfronteerd, zodat hij ook niet gecompenseerd hoefde te worden en de vergoeding dus niet meer aan de orde is c.q. is komen te vervallen.

Valt de beëindigingsvergoeding in de erfenis?

 Dat verweer faalt. In het Sociaal Plan is het aanwenden van de beëindigingsvergoeding ter compensatie van lagere looninkomsten of uitkeringen niet tot een voorwaarde gemaakt voor het recht op de uitbetaling van de vergoeding. Uit artikel 3.2 blijkt dat de boventallige werknemer die elders een functie accepteert, ongeacht het loon dat hij in de nieuwe functie gaat verdienen, zijn aanspraak op de vergoeding behoudt. Als het elders te verdienen loon gelijk aan of hoger is dan wat hij bij R verdiende, wordt de vergoeding niet aangewend ter compensatie van lagere looninkomsten of een uitkering. In dit artikel is derhalve eerder een contra-indicatie gelegen voor het aannemen van een dergelijke voorwaarde.

Het verweer van R dat het onderhavige geval op één lijn moet worden gesteld met de zaak die in het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 4 augustus 2016 (GHSHE:2016:3479) aan de orde was, moet worden verworpen. In deze zaak was de werknemer overleden daags voordat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbond onder toekenning van een transitievergoeding. Het Hof oordeelde dat er op de dag waarop de uitspraak is gedaan al geen arbeidsovereenkomst meer bestond, omdat deze daags ervoor was geëindigd door de dood van de werknemer, zodat de arbeidsovereenkomst niet meer ontbonden kon worden en er dus geen recht op uitbetaling van de transitievergoeding bestond. In het onderhavige geval is het recht op de beëindigingsvergoeding ontstaan door de opzegging. Toen was erflater in leven en bestond de arbeidsovereenkomst nog.

Er is derhalve voor erflater een recht op de beëindigingsvergoeding ontstaan. Eiser is rechtsopvolger onder algemene titel. Het gaat om een voor overgang vatbaar recht als bedoeld in artikel 4:182 lid 1 BW. De wet of de aard van het recht verzet zich niet tegen een dergelijke overgang. Aangezien het inmiddels vaste jurisprudentie is dat het recht op een ontbindingsvergoeding, ondanks het mogelijk persoonlijke karakter ervan, voor vererving vatbaar is, is er onvoldoende reden om de onderhavige beëindigingsvergoeding, vanwege de persoonlijke aard van het recht, niet vatbaar voor vererving op de voet van artikel 4:182 lid 1 BW te oordelen.

Wilt u de hele uitspraak lezen? Klik dan hier.

Heeft u vragen over de afwikkeling en verdeling van een erfenis, of over een uitkering of vergoeding van de erflater wel of niet in de nalatenschap valt of over andere rechten die onder algemene titel overgaan, belt u dan gerust onze advocaat erfrecht op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een nalatenschap? Bezoek dan onze pagina over de verdeling van een erfenis. Klik daarvoor hier.