Het Gerechtshof Den Haag heeft op 12 juni 2019 uitspraak gedaan over een machtiging tot het doen van een schenking bij bewind.

In geschil is de machtiging tot schenking in het kader van meerderjarigenbewind.

De bewindvoerder de rechter verzocht haar te machtigen tot het doen van een schenking van € 187.633,07 aan twee erfgenamen, al dan niet onder nader door de rechter te stellen voorwaarden.

Bewind. Machtiging tot het doen van een schenking? Bijzondere omstandigheden?

De rechter oordeelt als volgt.

De rechter volgt de bewindvoerder in haar stelling dat de kantonrechter ten onrechte de verzochte machtiging heeft afgewezen omdat de akkoordverklaring van twee van de drie erfgenamen ontbreekt.

Op grond van artikel 1:441 lid 2 sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW) is voor het beschikken en aangaan van schenkingsovereenkomsten de toestemming van de rechthebbende vereist of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, een machtiging van de kantonrechter.

Gelet hierop merkt het hof, zoals ter zitting reeds is meegedeeld, de erfgenamen niet als belanghebbenden aan in de onderhavige procedure.

De rechter stelt het volgende voorop.

Op grond van artikel 1:441 lid 2 sub a BW behoeft de bewindvoerder toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat is, machtiging van de kantonrechter voor een aantal beschikkingshandelingen over het onder bewind gestelde vermogen van de rechthebbende, zoals de onderhavige voorgenomen schenking.

Uit de “Aanbevelingen Meerderjarigenbewind” van het LOVCK volgt dat een door de bewindvoerder ingediend verzoek om te worden gemachtigd tot het doen van een schenking namens een rechthebbende die zijn wil niet kan bepalen, wordt afgewezen indien er geen schenkingstraditie wordt aangetoond.

In bijzondere, door de bewindvoerder aan te voeren, omstandigheden kan daarvan worden afgeweken indien het belang van de rechthebbende dat vereist, dan wel indien de schenking de leefomgeving van de rechthebbende verbetert.

Voorts wordt een schenking in beginsel niet toegestaan als het liquide vermogen van de rechthebbende als gevolg van die schenking minder dan € 30.000,- komt te bedragen.

De rechter oordeelt als volgt.

Vast staat dat de rechthebbende bij testament van 26 juni 1992 haar woning, na haar overlijden heeft gelegateerd aan de erfgenaam (dochter van de zus van de rechthebbende) en haar echtgenoot, de andere erfgenaam, ouders van de bewindvoerder.

Voorts zijn vier kinderen van de zus van de rechthebbende (waaronder genoemde erfgenaam) tot erfgenaam benoemd.

Bij testament van 6 september 2007 heeft de rechthebbende één van die kinderen onterfd.

Vaststaat dat de rechthebbende vanwege haar gezondheid niet in haar woning kon blijven wonen.

De bewindvoerder heeft met machtiging van de kantonrechter voormelde woning verkocht en geleverd.

Op de bankrekening van de rechthebbende is, als gevolg van de verkoop, een bedrag van € 187.633,07 ontvangen.

Nu de woning is verkocht, kan het legaat bij het openvallen van de nalatenschap van de rechthebbende niet meer worden uitgevoerd.

De rechthebbende kan haar wil niet meer bepalen en er is nimmer sprake geweest van een schenkingstraditie.

In een dergelijk geval moet dan, om van de hoofdregel af te kunnen wijken, sprake zijn van bijzondere omstandigheden.

De rechter passeert de door de bewindvoerder gestelde bijzondere omstandigheid dat de rechthebbende er nimmer rekening mee heeft gehouden dat zij niet in haar huis kon blijven wonen en dat zij zeker weet dat het de wens van de rechthebbende was dat de volledige opbrengst van de woning naar haar ouders gaat.

Deze omstandigheden, wat daar ook van zij, zijn onvoldoende om rechtens een bijzondere omstandigheid te kunnen aannemen.

De grieven treffen derhalve geen doel.

Voor zover nog van belang, de verwijzing naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 maart 2016 (GHARL:2016:1654) doet aan het vorenstaande niet af, omdat in die procedure als bijzondere omstandigheid is aangemerkt dat de rechthebbende de wil tot het doen van een schenking reeds had geuit op het moment dat zij nog helder was.

Dat is in de onderhavige procedure niet het geval.

Dat de rechthebbende na uitvoering van de beoogde schenking nog voldoende vermogen zou hebben voor haar noodzakelijke uitgaven doet evenmin af aan het vorenstaande.

De rechter acht het in haar belang dat het huidige verzorgingsniveau zo veel mogelijk wordt gewaarborgd en haar vermogen niet substantieel afneemt door het doen van een onverplichte schenking. In die zin staat naar het oordeel van het hof niet vast dat de beoogde schenking de belangen van de rechthebbende niet zal schaden.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een schenking of gift in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.