Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Noord-Holland heeft op 31 januari 2018 uitspraak gedaan over een alternatieve erfstelling in een testament.

Bij testament van 30 september 2010 heeft erflaatster haar echtgenoot tot enig erfgenaam van haar nalatenschap benoemd.

Voor het geval haar echtgenoot eerder dan zij zou overlijden heeft erflaatster (bij wijze van alternatieve erfstelling I) gedaagde tot enig erfgename benoemd. Mocht (ook) gedaagde eerder overlijden dan erflaatster, dan zou (bij wijze van alternatieve erfstelling II) eiser enig erfgenaam zijn.

Het testament bevat voorts de clausule dat “Indien ten tijde van mijn overlijden de vriendschap met gedaagde voornoemd, is verbroken”, de alternatieve erfstelling I ten gunste van gedaagde vervalt en de nalatenschap zal vererven volgens de alternatieve erfstelling II.

De echtgenoot van erflaatster is op 25 juni 2012 overleden.

Eiser vordert dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat de vriendschap tussen erflaatster en gedaagde op 28 december 2015 was verbroken, en dat eiser enig erfgenaam is in de nalatenschap van erflaatster.

Eiser baseert zijn vorderingen op de stelling dat geen sprake (meer) was van vriendschap tussen erflaatster en gedaagde in de laatste fase van het leven van erflaatster, hetgeen meebrengt dat het testament moet worden afgewikkeld overeenkomstig de alternatieve erfstelling II, die hem, eiser, als enig erfgenaam aanwijst.

Gedaagde heeft de vorderingen van eiser bestreden en in dat verband aangevoerd dat de jarenlange vriendschap die tussen haar en erflaatster heeft bestaan ook in de laatste levensfase van erflaatster heeft voortgeduurd.

Alternatieve erfstelling in testament voor het geval de vriendschap met mantelzorger en erflaatster ten tijde van haar overlijden zou zijn verbroken. Bewijsvoering.

Bij de beoordeling van de zaak stelt de rechtbank het volgende voorop.

Blijkens artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering draagt de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten de bewijslast van die feiten.

Dat brengt met zich dat op eiser de bewijslast rust van het door hem gestelde feit dat de vriendschap tussen erflaatster en gedaagde ten tijde van het overlijden van erflaatster verbroken was waaraan hij het rechtsgevolg verbonden wenst te zien dat niet gedaagde, maar hij enig erfgenaam is.

Voorts neemt de rechtbank op grond van de bewoordingen van het testament tot uitgangspunt dat in elk geval ten tijde van het opmaken daarvan vriendschap bestond tussen erflaatster en gedaagde.

Ook de advocaat van eiser heeft ter zitting opgemerkt dat dit hem aannemelijk lijkt. De vraag die in deze zaak beantwoord moet worden is dan ook of zich tussen het maken van het testament in september 2010 en het tijdstip van overlijden van erflaatster een of meer concrete gebeurtenissen hebben voorgedaan die een zodanig negatieve invloed hebben gehad op de relatie tussen beide dames dat die nadien niet langer vriendschappelijk genoemd kon worden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser zijn stelling dat van enige vriendschap met gedaagde in (in elk geval) de laatste levensfase van erflaatster geen sprake (meer) was niet bewezen. Daartoe is het volgende redengevend.

Getuigen en eiser zelf hebben allen als getuige verklaard dat van vriendschap tussen erflaatster en gedaagde geen sprake was en dat erflaatster meer dan eens zou hebben gezegd dat het gedaagde alleen om het geld te doen was. De mentor en een getuige hebben daaraan toegevoegd dat gedaagde door haar bemoeizucht erflaatster weinig ruimte liet, terwijl een andere getuige nog heeft verklaard dat erflaatster zo’n hekel aan gedaagde had dat zij haar een loeder noemde.

Hiertegenover staan de getuigenverklaringen van getuigen en gedaagde waaruit het beeld naar voren komt van een goede en langjarige vriendschap tussen erflaatster en gedaagde , welke vriendschap ook in de laatste levensfase van erflaatster in stand is gebleven. Dit bleek volgens deze getuigen uit de blijdschap (met name in de vorm van een lach op haar gezicht) bij erflaatster als zij gedaagde zag. Van enige ruzie of enig conflict tussen beiden zeggen deze getuigen nooit iets te hebben gemerkt.

De rechtbank acht geen goede, aan objectieve factoren gerelateerde gronden aanwezig om de verklaringen van de hiervoor genoemde getuigen hoger te waarderen dan de geheel anders luidende verklaringen van de getuigen, zodat reeds hierom eiser niet geslaagd is in het leveren van het bewijs dat de vriendschap tussen erflaatster en gedaagde was verbroken. Als degene op wie de bewijslast rust dient hij immers zoveel bewijs bij te brengen dat de balans te zijnen gunste doorslaat.

Daarbij komt dat een getuige, bewindvoerder van erflaatster van september 2012 tot haar overlijden, heeft verklaard dat erflaatster zich tijdens het intakegesprek in positieve zin uitliet over gedaagde en dat zij nooit van iemand iets gehoord heeft over meningsverschillen of conflicten tussen beiden, terwijl een andere getuige, die als thuiszorgmedewerker van medio 2010 tot juni 2012 zorg aan erflaatster en haar man verleende en in die periode veelvuldig contact met hen had, heeft verklaard :

“Gedaagde …was een hele goede mantelzorgster, die bevriend was met mevrouw, maar zeker ook met meneer. Die vriendschap kon ik zien aan de manier waarop zij met elkaar omgingen. Mevrouw (erflaatster) praatte niet veel, maar aan haar gezicht kon ik wel zien dat zij blij was als zij gedaagde zag. Ik heb nooit iets gemerkt van ruzies of conflicten tussen beiden…Nogmaals mijn indruk was dat het een harmonieus geheel was, niet alleen gestoeld op mantelzorg.”

De rechtbank kent aan deze beide verklaringen, die een positief beeld schetsen van de (vriendschappelijke) relatie tussen erflaatster en gedaagde en aldus de verklaringen van de hierboven vermelde getuigen ondersteunen, een bijzonder gewicht toe, nu de waarnemingen van deze getuigen, die hebben plaatsgevonden in het kader van hun beroepsmatige bemoeienis met erflaatster, geacht mogen worden met meer distantie en onbevangenheid te zijn gedaan dan die van alle andere getuigen, die immers door familie- of vriendschapsbanden met een van de partijen zijn verbonden.

De rechtbank overweegt in dit verband nog dat de verklaring van een getuige weliswaar geen betrekking heeft op de laatste levensjaren van erflaatster, maar dat daarin wel wordt weersproken dat, zoals met name de getuigen en mentor hebben gesteld, nimmer van enige vriendschap tussen erflaatster en gedaagde sprake is geweest. Dit laatste is overigens ook in strijd met hetgeen de rechtbank hiervoor tot uitgangspunt heeft genomen, terwijl ook de als productie 1 bij de conclusie van antwoord overgelegde foto’s in de meest letterlijke zijn illustreren dat er door de jaren heen sprake is geweest van een vriendschappelijke band.

Eiser heeft een- en andermaal betoogd dat in ieder geval in de laatste levensjaren van erflaatster van vriendschap tussen haar en gedaagde geen sprake (meer) was, dat er in die fase slechts sporadisch contact tussen beide dames was en dat erflaatster boos dan wel onrustig reageerde op die (weinige) contacten.

De rechtbank acht het heel goed denkbaar en wellicht zelfs onvermijdelijk dat door de opname van erflaatster in een zorginstelling alsmede door haar voortschrijdende dementie de tussen haar en gedaagde bestaande vriendschap van karakter veranderde c.q. een andere invulling kreeg, maar dat betekent niet, zoals terecht namens gedaagde is aangevoerd, dat de vriendschap was verbroken.

Voor het (voort)bestaan van de vriendschap is ook niet doorslaggevend de frequentie waarmee gedaagde erflaatster in de zorginstelling bezocht. Gedaagde heeft overigens voldoende aannemelijk gemaakt dat zij ondanks het op verzoek van de familie van erflaatster (de stelling van eiser dat de arts van de zorginstelling bezoek door gedaagde aan erflaatster onwenselijk vond is zonder onderbouwing gebleven) door de zorginstelling uitgevaardigde bezoek/contactverbod regelmatig bij haar op bezoek is geweest. Dit blijkt niet alleen uit de afgelegde getuigenverklaringen, maar ook uit de als productie 8 bij de conclusie van antwoord overgelegde foto’s, die niet direct de indruk wekken dat erflaatster een hekel had aan gedaagde of dat erflaatster het niet op gedaagde had.

Dat erflaatster van streek raakte c.q. onrustig werd door deze bezoekjes heeft eiser met name willen illustreren aan de hand van een passage in het zorgdossier d.d. 17 september 2014. In die passage staat echter te lezen dat erflaatster het bezoek van gedaagde gezellig vond en dat zij naderhand boos werd, zonder dat in het dossier een verband wordt benoemd of gesuggereerd tussen het een en het ander. Overigens blijkt uit het zorgdossier dat erflaatster wel vaker boos of geïrriteerd was.

Voorts heeft eiser omstandig betoogd dat gedaagde zich op schimmige wijze heeft beziggehouden met het beheer van de financiën van erflaatster en haar echtgenoot, met name door een auto van erflaatster dan wel haar echtgenoot op haar naam te laten overschrijven en door een bedrag van € 5.000,00 van de rekening van erflaatster en haar echtgenoot te laten overboeken naar haar eigen rekening. Deze gedragingen en de wat [eiser] betreft onjuiste of ontoereikende verklaringen die gedaagde daarvoor heeft gegeven duiden er zijn inziens op dat erflaatster en gedaagde niet meer bevriend waren.

De rechtbank beoordeelt dit betoog als volgt.

Bewindvoerder heeft als getuige verklaard dat haar, toen zij het financieel beheer van gedaagde overnam, bleek dat deze een aantal dingen niet handig had aangepakt, dat zij dat als bewindvoerder heeft rechtgezet, met name door gedaagde een bedrag van rond de € 5.000,00 naar de rekening van erflaatster te laten terugboeken en dat erflaatster geen financieel nadeel heeft ondervonden. De rechtbank stelt vast dat de getuige in hetgeen zij bij de aanvang van haar bewind aantrof blijkbaar geen aanleiding heeft gevonden om zelf juridische stappen te ondernemen tegen gedaagde (bijvoorbeeld door het doen van aangifte bij de politie).

In het verlengde hiervan liggen de overwegingen van het Hof in de zogenaamde artikel 12-procedure, die erop neerkomen dat gedaagde gedurende vele jaren als mantelzorger van erflaatster en haar echtgenoot optrad en samen met hem de financiële zaken regelde, dat er geen aanwijzingen zijn dat gedaagde de bedoeling heeft gehad om zichzelf ten koste van erflaatster en haar echtgenoot wederrechtelijk te bevoordelen, dat hooguit geconcludeerd kan worden dat zij onhandig heeft gehandeld en dat daarom de officier van justitie op goede gronden tot de beslissing is gekomen om haar niet te vervolgen.

Uit het voorgaande blijkt dat bewindvoerder en Hof hebben bevonden dat niets erop wijst dat gedaagde zich te buiten is gegaan aan financiële malversaties, maar (slechts) dat op enkele van haar acties het etiket “onhandig” moet worden geplakt. Dit etiket rechtvaardigt echter naar het oordeel van de rechtbank geenszins de door eiser getrokken conclusie dat van vriendschap tussen erflaatster en gedaagde geen sprake meer was. Ook dit betoog kan eiser derhalve niet baten.

Dit geldt evenzeer voor de stelling van eiser dat gedaagde het in het door haar ingevulde CIZ-aanvraagformulier d.d. 18 juni 2012 heeft voorgesteld alsof zij familie (namelijk een tante) van erflaatster was. Deze stelling is wat de rechtbank betreft namelijk genoegzaam ontzenuwd door de als productie 3 bij de conclusie van antwoord overgelegde verklaring d.d. 12 april 2017 van casemanager, inhoudende dat gedaagde zich tegenover haar nooit als familie van erflaatster heeft voorgedaan en dat hetgeen in het aanvraagformulier staat vermeld in zoverre onjuist is.

De rechtbank laat overigens in het midden of de stelling van eiser, indien juist bevonden, zou kunnen leiden tot de door hem gewenste gevolgtrekking dat de vriendschap tussen beide dames niet meer zou bestaan.

De slotsom van al het bovenstaande is dat eiser zijn stelling dat de vriendschap tussen erflaatster en gedaagde ten tijde van het overlijden van erflaatster was verbroken, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan, niet heeft waargemaakt. Zijn vorderingen moeten dan ook worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraakbekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de bewijsvoering in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.