De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft onlangs uitspraak gedaan over de bewijsvoering met betrekking tot de echtheid van een handtekening.

Bij het tussenvonnis van 29 juni 2022 heeft de rechtbank gedaagde opgedragen de echtheid te bewijzen van de handtekening van eiser op het aangifteformulier Schenkbelasting 2017 van de Belastingdienst van 2017 (hierna: de aangifte).

Bij het tussenvonnis van 11 januari 2023 is een deskundige benoemd ter beantwoording van de in van dat vonnis geformuleerde vragen.

Erfrecht. Procesrecht. Bewijsrecht. Deskundigenonderzoek. Echtheid van handtekening. Bewijs in het burgerlijk procesrecht. Overeenkomst tot schenking. Belastingaangifte.

De rechter oordeelt als volgt.

Bij de beoordeling van de vraag of gedaagde is geslaagd in het hem opgedragen bewijs stelt de rechtbank voorop dat voor bewijs in het burgerlijk procesrecht niet steeds vereist is dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan, maar dat het voldoende is dat de rechter een redelijke mate van zekerheid heeft dat het betreffende feit zich heeft voorgedaan.

In deze zaak moet dus in voldoende mate komen vast te staan dat de handtekening onder de aangifte van eiser is.

Eiser stelt naar aanleiding van de conclusie van de deskundige, dat niet met 100% zekerheid kan worden gesteld dat de handtekening onder de aangifte van eiser is omdat de deskundige in zijn rapport weliswaar vermeld dat samenvattend kan worden vastgesteld dat de onderzoeksresultaten geen steun geven aan hypothese H3 (nabootsing), maar dat hij in de alinea daaraan voorafgaand vermeld dat kan worden vastgesteld dat de nabootsing hypothese niet compleet kan worden verworpen.

Dit leidt echter niet tot het oordeel dat gedaagde dus niet in het hem opgedragen bewijs is geslaagd.

Immers voor de vraag of de rechtbank tot het oordeel kan komen dat gedaagde het hem opgedragen bewijs heeft geleverd is niet vereist dat het betreffende feit onomstotelijk is komen vast te staan.

De rechtbank is op grond van het onderzoek door de deskundige en de door hem getrokken conclusies van oordeel dat aangenomen moet worden dat niet sprake is van hypothese H3 (nabootsing).

Het deskundigenbericht geeft, omdat de deskundige niet kon beschikken over de originele aangifte, geen uitsluitsel over de vraag of de handtekening onder de aangifte de authentieke handtekening van eiser is die daaronder is geplaatst (H1) of daaronder is gemonteerd (H2).

Deze scenario’s acht de deskundige beiden even waarschijnlijk.

Dat gedaagde niet kon beschikken over de originele aangifte kan hem niet worden tegengeworpen.

De Belastingdienst heeft hem die met een beroep op artikel 67 lid 2 onder c geweigerd.

Dit blijkt uit de door gedaagde als productie in het geding gebrachte brief van de belastingdienst aan hem van 11 juli 2022.

Met betrekking tot de vraag of de rechtbank desondanks van oordeel is of in voldoende mate is komen vast te staan dat de handtekening onder de aangifte van eiser is overweegt de rechtbank als volgt.

Het deskundigenbericht laat de mogelijkheid dat eiser de handtekening zelf onder de aangifte heeft geplaatst open.

Dat in aanmerking genomen in samenhang met het volgende leidt tot het oordeel van de rechtbank dat in voldoende mate is komen vast te staan dat eiser zelf zijn handtekening onder de aangifte heeft geplaatst.

Niet valt in te zien waarom gedaagde bij de belastingdienst aangifte zou doen van de schenking met als gevolg de verplichting schenkingsrecht te moeten betalen indien er van een schenking geen sprake was.

Dat geldt zeker nu gedaagde onbestreden heeft gesteld dat hij niet over voldoende financiële middelen beschikte om het schenkingsrecht te moeten betalen en het benodigde bedrag heeft moeten lenen van de oudste broer van eiser.

Het ligt niet voor de hand dat gedaagde de originele aangifte zou hebben opgevraagd als dat tot gevolg zou kunnen hebben dat bij het deskundigenbericht, waarvan de rechtbank in het vonnis van 29 juni 2022 heeft overwogen dat noodzakelijk te vinden, zou worden aangetoond dat ofwel hij de handtekening van eiser zou hebben nagebootst dan wel hij deze op enigerlei wijze onder zou hebben gemonteerd.

Daar komt bij de stelling van gedaagde dat hij zich na 2017 als eigenaar is gaan gedragen in die zin dat hij alle aan de woning verbonden vaste lasten heeft betaald evenals de kosten van het onderhoud.

Eiser heeft ook deze stellingen van gedaagde niet, althans onvoldoende betwist.

Met betrekking tot het verweer van eiser dat hij een aangifte voor een schenking van € 2.500,00 heeft ondertekend verwijst de rechtbank naar van het vonnis van 29 juni 2022.

Gelet op het vorenstaande gaat de rechtbank ervan uit dat eiser zijn aandeel in de woning aan gedaagde heeft geschonken.

Of eiser hetzelfde resultaat zou hebben kunnen bereiken als hij de nalatenschap zou hebben verworpen laat de rechtbank bij gebrek aan belang voor de beoordeling van het geschil onbesproken.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.