Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of sprake was van gezag van gewijsde van de vonnissen en arresten in een eerdere procedure tussen broer en zus over een vordering uit overbedeling.
Appellant en geïntimeerde zijn broer en zus van elkaar.
Tussen hen zijn in het verleden procedures gevoerd ter zake de verdeling van de nalatenschap van hun moeder.
Tussen partijen was onder meer in geschil of het ouderlijk huis tot de nalatenschap van moeder behoorde en of geïntimeerde met betrekking tot de verkrijging daarvan is overbedeeld.
Door de rechtbank Gelderland in eerste aanleg en het hof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep zijn die vragen ontkennend beantwoord.
Appellant heeft geen beroep in cassatie ingesteld.
Hij kan zich met de uitkomst van die procedure echter niet verenigen en heeft opnieuw een vordering wegens overbedeling jegens geïntimeerde ingesteld, stellende dat het hof Arnhem-Leeuwarden niet heeft beslist over de vraag of geïntimeerde is overbedeeld uit hoofde van de ouderlijke boedelverdeling.
Er is volgens hem uitsluitend beslist op de vraag of de economische eigendomsoverdracht tot overbedeling heeft geleid.
De vraag die in dit geschil voorligt is of het gezag van gewijsde van die uitspraken in de weg staat aan de vorderingen van appellant.
Het hof komt tot het oordeel dat dit het geval is en zal dat hierna verder toelichten.
Erfrecht. Verdeling nalatenschap. Vordering wegens overbedeling. Is sprake van gezag van gewijsde van de vonnissen en arresten in de eerdere procedure? Toetsingskader.
De rechter oordeelt als volgt.
Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat artikel 236 lid 1 Rv bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben.
Het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding, en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt, ongeacht of wat gevorderd wordt hetzelfde is.
Heeft het andere geding (mede) betrekking op andere geschilpunten dan die waarover in het eerdere geding is beslist, dan strekt het gezag van gewijsde van de beslissing in het eerdere geding zich niet uit tot die andere geschilpunten.
Het antwoord op de vraag of in het eerdere geding sprake is geweest van beslissingen aangaande een geschilpunt dat dezelfde rechtsbetrekking betreft als in het andere geding, is afhankelijk van de grondslag van de vordering of het verweer, het processuele debat en de gegeven beslissingen.
Dat vergt uitleg van de in de eerdere procedure gedane uitspraak, mede in het licht van de gedingstukken waarop die uitspraak berust.
Indien een vordering met kracht van gewijsde is afgewezen, en de afwijzing erop is gebaseerd dat de voor de vordering aangevoerde grondslag niet is komen vast te staan of dat deze grondslag de vordering niet kan dragen, kan tot uitgangspunt dienen dat de beslissingen aangaande het ontbreken of niet toereikend zijn van deze grondslag, in een ander geding tussen dezelfde partijen gezag van gewijsde hebben.
Dit betekent onder meer dat bij een beroep op gezag van gewijsde, feiten en bewijsmiddelen die in de eerdere procedure niet ter staving van de gestelde grondslag zijn aangevoerd, in een ander geding niet alsnog in het kader van dezelfde grondslag aan de vordering ten grondslag kunnen worden gelegd.
Het gezag van gewijsde kan evenwel niet eraan in de weg staan dat in een ander geding dezelfde of een soortgelijke vordering wordt ingesteld op basis van een andere grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten.
Dit geldt ongeacht of deze andere grondslag ook reeds in de eerdere procedure aangevoerd had kunnen worden (vgl. HR 18 december 2020, HR:2020:2099).
Het voorgaande geldt ook voor beslissingen waarvan na het vonnis of arrest blijkt dat ze op onjuiste feiten of een verkeerde rechterlijke interpretatie berusten (HR 3 februari 2017, HR:2017:135).
Verder bepaalt artikel 23 Rv dat de rechter moet beslissen over al hetgeen partijen hebben gevorderd of verzocht.
Artikel 32 Rv geeft een eenvoudige herstelmogelijkheid voor het geval de rechter over een deel van het gevorderde of verzochte geen beslissing heeft gegeven.
Door een verzoek tot aanvulling te doen, kan met een eenvoudige rechtsgang worden bereikt dat alsnog op de oorspronkelijke onderdelen van de eis of het verzoek wordt beslist in een beslissing die (alsnog) tot de oorspronkelijke uitspraak behoort.
De belanghebbende partij zou ter zake ook een nieuwe bodemprocedure kunnen starten; evenals bij de verbetering staat de in kracht van gewijsde gegane uitspraak hieraan niet in de weg omdat op het litigieuze onderdeel niet is beslist en het geding in zoverre een ander geschil dan dat waarop is beslist, tot onderwerp heeft.
Met andere woorden: op die rechtsbetrekking is dan nog niet beslist.
Artikel 399 Rv staat tot slot in de weg aan cassatieberoep indien het ook mogelijk zou zijn geweest om aanvulling te verzoeken ex artikel 32 Rv.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.