De Rechtbank Limburg heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of er een recht bestond op de inzage in bescheiden ter vaststelling van de omvang van de nalatenschap.
Erflaatster heeft bij testament verleden op 30 september 1997 ten overstaan van de notaris over haar nalatenschap beschikt.
Erflaatster heeft eiser en gedaagde tot haar enige erfgenamen benoemd.
Zij hebben de nalatenschap van erflaatster reeds beneficiair aanvaard.
Erflaatster heeft geen testamentair executeur van de nalatenschap benoemd.
Partijen hebben, mede door tussenkomst van advocaten en/of gemachtigden, overleg gevoerd over de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster, maar hebben geen overeenstemming bereikt.
Eiser vordert dat de rechtbank gedaagde veroordeelt tot het binnen veertien dagen na dit vonnis verstrekken van afschriften van
- afschriften van alle bank-, spaar en/of effectenrekeningen van erflaatster uit de periode 1 oktober 2017 tot en met heden,
- een afschrift van de financiële administratie c.q. schriftelijke onderbouwing van de transacties die gedaagde via de bank-, spaar en/of effectenrekening(en) van erflaatster heeft verricht voor zichzelf dan wel voor derden gedurende de periode 1 oktober 2017 tot op heden en waaraan die betreffende gelden destijds zijn besteed,
- een lijst met daarin een schriftelijk overzicht van alle sieraden van erflaatster met daarin per sieraard gespecificeerd waar het betreffende sieraad zich vanaf welke periode tot op heden bevindt,
- een overzicht en nadere schriftelijke onderbouwing van de waarde van de gouden tientjes van erflaatster en de manier van taxeren en verdeling daarvan, en
- alle overige inlichtingen die relevant zijn voor het kunnen vaststellen van de volledige waarde en de volledige omvang van de nalatenschap van erflaatster.
Eiser heeft de vordering gebaseerd op artikel 843a Rv.
Ter onderbouwing van zijn vordering stelt eiser zich – samengevat – op het standpunt dat hij een rechtmatig belang heeft bij het vaststellen van de omvang en de waarde van de nalatenschap van erflaatster.
Eiser stelt dat de gevraagde informatie daarvoor nodig is en dat gedaagde daarover beschikt alsook dat het bescheiden betreft die voldoende bepaald zijn.
Voorts heeft de gevraagde informatie betrekking op de rechtsverhouding van de procespartijen, aldus eiser.
Erfrecht. Afgifte of inzage in bescheiden ter vaststelling van de omvang en waarde van de nalatenschap. Bewijslevering. Onder zich hebben van bescheiden. Stelplicht en bewijslast. Toetsingskader.
De rechter oordeelt als volgt.
Artikel 843a Rv heeft betrekking op de bijzondere exhibitieplicht.
Deze exhibitieplicht biedt een partij de mogelijkheid om inzage te vorderen van bestaande bescheiden ten behoeve van de bewijslevering.
Artikel 843a Rv voorziet niet in een onbeperkt recht op inzage/afschrift van bescheiden jegens degene die deze te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft.
Met het oog daarop en ter voorkoming van zogenaamde “fishing expeditions” is de toewijsbaarheid van een op artikel 843a Rv gebaseerde vordering in dat wetsartikel aan cumulatieve voorwaarden gebonden.
Op grond van het eerste lid van artikel 843a Rv dient degene van wie inzage, afschrift of uittreksel wordt gevorderd
- deze bescheiden tot zijn beschikking of onder zijn berusting te hebben,
- de eiser dient een rechtmatig belang te hebben,
- de vordering dient betrekking te hebben op bepaalde bescheiden en
- de bescheiden dienen een rechtsbetrekking te betreffen waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is.
Daaruit volgt onder meer dat het moet gaan om bestaande bescheiden.
Het artikel biedt geen basis voor een vordering strekkende tot het maken van overzichten of anderszins opstellen van bescheiden.
Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat artikel 843a Rv geen grondslag biedt voor de vordering tot afgifte van de vermelde bescheiden B tot en met E.
Uit de formulering van de vorderingen blijkt dat eiser vraagt om ‘een schriftelijke onderbouwing’ en/of ‘een overzicht’ zonder enige toelichting te geven over het reeds bestaan van deze stukken.
De vordering ziet in zoverre derhalve kennelijk op door gedaagde op te stellen overzichten en verantwoordingen en daarmee niet op al bestaande bescheiden.
Zoals reeds hiervoor overwogen biedt artikel 843a Rv voor een dergelijk vordering geen grondslag.
Het lijkt erop dat eiser (tot op zekere hoogte) van gedaagde verlangt dat zij rekening en verantwoording aflegt.
Een vordering daartoe is echter niet voldoende kenbaar ingesteld, althans niet voldoende onderbouwd gelet op het feit dat niet is gesteld op grond waarvan gedaagde jegens eiser rekenplichtig zou zijn.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat de vordering van eiser tot afgifte van de vermelde bescheiden B tot en met E moet worden afgewezen.
De rechtbank wijst er verder op dat eiser tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd heeft verklaard dat er, wat betreft de gouden tientjes, geen verdelingsvordering is ingesteld ondanks dat de tekst van de vordering in de dagvaarding (onder E) dat wel lijkt te suggereren.
Op een verdelingsvordering hoeft dus niet te worden beslist.
Eiser stelt zich op het standpunt dat gedaagde de gevorderde bescheiden onder A in haar bezit heeft.
Gedaagde stelt zich daarentegen op het standpunt dat zij alle bescheiden heeft verstrekt waarover zij de beschikking heeft.
Zij betwist dat zij meer dan de reeds overgelegde bescheiden in haar bezit heeft.
Nu de vordering tot afgifte van deze bescheiden door eiser wordt ingesteld, dient hij – in het kader van artikel 150 Rv – ook te onderbouwen dat gedaagde deze bescheiden in haar bezit heeft.
Deze onderbouwing zijdens eiser ontbreekt.
Gelet op het voorgaande, oordeelt de rechtbank dat niet kan worden aangenomen dat gedaagde andere, dan de reeds overgelegde bescheiden, in haar bezit heeft.
De rechtbank heeft immers geen informatie waaruit blijkt dat gedaagde deze bescheiden wel in haar bezit zou hebben.
De rechtbank concludeert dat de vordering van eiser ter zake de afgifte van de voormelde bescheiden onder A moet worden afgewezen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.