De Rechtbank Rotterdam heeft op 25 mei 2022 uitspraak gedaan over de vraag of de budgetcoach van erflater rekening en verantwoording diende af te leggen over het door de budgetcoach gevoerde financiële beheer van het vermogen van erflater.

Ter zitting heeft de budgetcoach (A) verklaard dat erflater gedurende haar betrokkenheid als budgetcoach zelf geen betalingen meer verrichtte – fysiek noch online – en dat zij dit deed in overleg met hem.

Volgens A gold dit zowel voor de door haar gepinde bedragen als voor de via internetbankieren gedane betalingen en online aankopen.

Volgens S is A verplicht om aan haar haar rekening en verantwoording te doen over de wijze waarop zij de overeenkomst met erflater heeft uitgevoerd.

A betwist dat zij hiertoe verplicht is omdat zij alleen als budgetcoach is opgetreden en geen financieel beheer heeft gevoerd.

A stelt bovendien dat zij al (onverplicht) rekening en verantwoording heeft afgelegd en dat alle uitgaven in opdracht van en in overleg met erflater zijn uitgevoerd.

Erfrecht. Financieel beheer van vermogen erflater. Afleggen van rekening en verantwoording. Dient de budgetcoach van erflater rekening en verantwoording af te leggen? Overeenkomst van opdracht.

De rechter oordeelt als volgt.

A is verplicht tot het doen van rekening en verantwoording over de periode dat zij als budgetcoach betrokken is geweest bij erflater van oktober 2019 tot en met medio maart 2021 omdat vaststaat dat zij bij de uitvoering van de overeenkomst van opdracht gelden heeft uitgegeven ten laste van erflater (art. 7:403 lid 2 BW).

De plicht tot het doen van rekening en verantwoording dient vooral tot het bieden van de mogelijkheid tot controle achteraf door de opdrachtgever en om inzicht te krijgen in de wijze waarop opdrachtnemer met het geld van opdrachtgever is omgesprongen.

Die verplichting gold destijds tegenover erflater als opdrachtgever en geldt thans tegenover Stichting q.q. omdat zij als privatief beheerder exclusief het beheer voert over de nalatenschap van erflater.

De verplichting voor A tot het doen van rekening en verantwoording aan S bestaat naar het oordeel van de rechtbank ook los van de overeenkomst van opdracht tussen A en erflater omdat kan worden aangenomen dat tussen A en S een rechtsverhouding bestaat op grond waarvan A verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden (vgl. Hoge Raad 10 december 2021, HR:2021:1848).

De stelling van A dat zij aan haar verplichting tot het doen van rekening en verantwoording heeft voldaan, kwalificeert als een bevrijdend verweer zodat op A hiervan de bewijslast rust (vgl. HR 21 juni 2002, HR:2002:AE4390 (Singaporese nalatenschap) en HR 28 september 2018, HR:2018:1776 (Irakese nalatenschap)).

Volgens S is het saldo van de Bankrekeningen met € 436.584,99 afgenomen gedurende de betrokkenheid van A als budgetcoach.

A heeft de omvang van deze afname niet betwist zodat die in rechte vaststaat.

Beoordeeld moet worden of A hierover voldoende rekening en verantwoording heeft gedaan.

Dat A gedurende de uitvoering van de overeenkomst aan erflater rekening en verantwoording heeft gedaan, is door A niet nader geconcretiseerd of met stukken onderbouwd.

Voor wat betreft de aan S gedane rekening en verantwoording, verwijst A naar haar brief van 14 september 2021 en dan met name naar bijlage F waarin zij betalingen tot een bedrag van € 60.080,71 heeft toegelicht.

S heeft echter onweersproken gesteld dat dit bedrag overwegend betrekking heeft op de vaste lasten van erflater en dat zij A van de betaling hiervan geen verwijt maakt.

Het overzicht in bijlage F kwalificeert daarom evenmin als een voldoende rekening en verantwoording van A voor de afname van het vermogen met € 436.584,99.

S heeft gemotiveerd onderbouwd dat de afname van het vermogen van erflater met € 436.584,99 is onder te verdelen in drie deelbedragen.

Het eerste deelbedrag bestaat uit de met de betaalpas gepinde bedragen van in totaal € 163.700,00.

Hiervan staat vast dat A dit bedrag heeft gepind.

Dat A dit in opdracht van erflater heeft gedaan zodat erflater hiervan grote bedragen aan haar en derden kon schenken, zoals A stelt, blijkt echter nergens uit.

ING heeft in mei 2020 als gevolg van de ongebruikelijke pintransacties de Bankrekeningen van erflater geblokkeerd.

A heeft in dit kader gesteld dat zij in reactie hierop met erflater eind mei 2020 een brief aan ING heeft opgesteld waarin erflater aangeeft “100% ok” te zijn met de pintransacties en dat hij wil dat de blokkade wordt opgeheven.

Volgens A heeft ING naar aanleiding van deze brief aanvankelijk nog wel aangedrongen op een gesprek met erflater, maar heeft ING uiteindelijk, na diverse telefoongesprekken met A, de Bankrekeningen weer vrijgegeven zonder dat zij erflater zelf had gesproken of gezien.

Anders dan A stelt, heeft zij hieruit niet mogen afleiden dat de pintransacties daarmee rechtmatig of akkoord waren.

Het tegendeel is eerder waar.

Uit de blokkade van de rekeningen had zij juist moeten begrijpen dat dit ongebruikelijke transacties waren en dat door ING getwijfeld werd aan de instemming ermee door erflater.

Dit had een signaal moeten zijn voor A om voor een deugdelijke vastlegging van zijn instemming zorg te dragen.

Dat heeft zij niet gedaan.

Dat ING in dit kader klaarblijkelijk genoegen heeft genomen met de brief van erflater ontslaat A niet van haar eigen verplichting tot het doen van rekening en verantwoording.

Het tweede deelbedrag bestaat uit € 36.642,29.

Hiervan is € 16.142,29 aan A betaald in kader van haar dienstverlening.

Voor dit bedrag heeft S facturen in de administratie van erflater aangetroffen.

Bij gebreke van een schriftelijke vastlegging van de gemaakte (financiële) afspraken tussen A en erflater is niet duidelijk wat het door A gehanteerde tarief is geweest en welke werkzaamheden zij precies voor erflater heeft uitgevoerd.

A heeft ter zitting toegelicht dat zij zelf zorg droeg voor de betaling van haar facturen door deze via internetbankieren – ten laste van de Bankrekeningen – aan zichzelf over te maken.

Dat erflater hiermee akkoord was, is door S betwist en blijkt ook nergens uit.

Nu vaststaat dat A heeft zorggedragen voor betaling van haar eigen facturen, moet zij hierover ook rekening en verantwoording doen.

Zij heeft immers ook in dit kader ten laste van erflater gelden uitgegeven.

A heeft dit echter niet gedaan.

Zij heeft niet verduidelijkt welke werkzaamheden zij heeft verricht en welke vergoeding zij daarvoor rekende.

Bovendien staat als onbetwist vast dat de vaste lasten van de erflater automatisch werden betaald zodat daarvoor geen werkzaamheden van A nodig waren.

Van het overige deel van dit tweede deelbedrag, namelijk € 20.500 is € 5.000,00 aan haar ex-man betaald en € 15.500,00 aan A en haar onderneming, waarvan bovendien € 5.000,00 op de dag van het overlijden van erflater.

Ook hierover heeft A geen rekening en verantwoording gedaan.

Dat erflater ook met deze betalingen akkoord zou zijn geweest, zoals A stelt, blijkt nergens uit.

Het derde deelbedrag bestaat uit € 247.559,63.

Volgens S is in de periode van 16 december 2019 tot en met 9 maart 2021 voor dit bedrag aan transacties verricht ten laste van de Bankrekeningen via iDEAL of bankoverschrijvingen en staat dit bedrag los van de eerste twee deelbedragen.

Uit het door S overgelegde overzicht van de betreffende uitgaven blijkt van een groot aantal verschillende transacties bij onder andere webwinkels, elektronicazaken, meubelwinkels, een fotospeciaalzaak en van uitgaven voor onder meer kantoorinrichting, autohuur, drukwerk, parfums etc.

Op het overzicht staan ook omvangrijke aankopen zoals de aanschaf van een keuken (€ 14.000,00) en van naaimachines (€ 12.000,00).

A heeft het bestaan en de omvang van deze transacties niet betwist zodat deze in rechte vaststaan.

Nu ook hier geldt dat A deze transacties heeft verricht geldt dat zij ook hierover rekening en verantwoording moet doen.

A stelt in dit kader (niet meer dan) dat ook deze aankopen allemaal met instemming en of in opdracht van erflater zijn verricht.

Erflater wilde dat zij deze aankopen voor zichzelf of voor haar onderneming verrichtte, zij was immers zijn surrogaatdochter en hij gunde haar dit alles, aldus A.

S heeft het bestaan van deze instemming gemotiveerd betwist.

Dat erflater met deze aankopen zou hebben ingestemd staat daarom niet vast en is door A ook niet verder onderbouwd.

De conclusie is dat A geen rekening en verantwoording heeft gedaan over het door haar ten laste van het vermogen van erflater uitgegeven bedrag van € 436.584,99 gedurende haar betrokkenheid als budgetcoach.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.