Van onze advocaat erfrecht. Het Gerechtshof Den Haag heeft op 7 februari 2017 uitspraak gedaan over de uitleg van een testament.
Uitleg van een testamenten : het juridisch kader
Het in 1980 verleden testament van erflaatster dient te worden uitgelegd aan de hand van de maatstaf van art 4:46 BW nu erflaatster na de inwerkingtreding van het huidige erfrecht is overleden.
Artikel 4:46 BW luidt als volgt:
Lid 1 Bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.
Lid 2 Daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil mogen slechts dan voor uitlegging van een beschikking worden gebruikt, indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft.
Lid 3 Wanneer een erflater zich klaarblijkelijk in de aanduiding van een persoon of een goed heeft vergist, wordt de beschikking naar de bedoeling van de erflater ten uitvoer gebracht, indien deze bedoeling ondubbelzinnig met behulp van de uiterste wil of met andere gegevens kan worden vastgesteld.
Een uiterste wilsbeschikking is geen consensuele rechtshandeling. Voorts is de bemoeienis van de notaris verplicht (artikel 4:94 BW). Dat verklaart dat de speelruimte bij uitleg beperkter is. Onder het oude recht werd de uitleg van uiterste wilsbeschikkingen beheerst door drie hoofdregels neergelegd in artikelen 4:932-933 BW (oud). Aan uitleg werd slechts toegekomen indien de bewoordingen onduidelijk waren. Dit vereiste vindt men nu terug in artikel 4:46 lid 1 BW.
Bij de uitlegging van een uiterste wil op de voet van art. 4:46 BW is niet de maatstaf de zuiver grammaticale methode, waarbij uitsluitend wordt nagegaan welke betekenis de in de uiterste wil opgenomen bewoordingen op zichzelf genomen hebben, doch dient rekening te worden gehouden met de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en de omstandigheden waaronder deze is verleden. De te regelen verhoudingen en de omstandigheden waaronder als bedoeld in lid 1, hoeven niet uit het testament te blijken.
In het kader van de uitleg van een uiterste wil is van belang dat er twee fasen worden onderscheiden. In de eerste fase dient te worden vastgesteld of de uiterste wil van erflaatster onduidelijk is. Nadat is vastgesteld dat de uiterste wil onduidelijk is, dient in de tweede fase vastgesteld te worden wat erflaatster heeft bedoeld.
Het feit dat erflaatster op hoge leeftijd met appellant trouwt, na het maken van huwelijkse voorwaarden waarbij elke vermogensvermenging is uitgesloten, kan een omstandigheid zijn waardoor de uiterste wil van erflaatster onduidelijk wordt. De uiterste wil van erflaatster is in 1980 immers onder geheel andere omstandigheden tot stand gekomen. Zij was toen met erflater getrouwd en tot het gezin van erflaatster behoorden eveneens geïntimeerden.
Relevant is wat erflaatster in 1980 beoogd heeft te willen regelen na haar overlijden. Op de omstandigheid waaronder erflaatster haar uiterste wil heeft gemaakt, moet worden gelet omdat haar daarbij verklaarde wil een reactie op die omstandigheid is. Toen heeft zij willen regelen de positie van haar eerste echtgenoot en haar kinderen. Die wil kan echter niet beïnvloed worden door een posterieure gebeurtenis, behalve als erflaatster het voorvallen van deze, toen nog toekomstige, gebeurtenis kon verwachten, in welk geval deze verwachting als een omstandigheid, waaronder de uiterste wil is gemaakt, in aanmerking komt. Haar tweede huwelijk op hoge leeftijd is een toekomstige gebeurtenis en de vraag is of zij daarmee bij het opmaken van haar uiterste wil in 1980 rekening mee heeft willen houden.
Gezien het tweede huwelijk op hoge leeftijd is de tekst van de uiterste wil onduidelijk geworden en dat geldt met name voor de passage: ”Voor het geval ik na of tegelijk in de zin der wet met mijn genoemde echtgenoot kom te overlijden, beschik ik als volgt: Ik bekrachtig bij deze de vererving van mijn nalatenschap volgens de bepalingen der wet voor vererving bij versterf.” De uiterste wil van erflaatster dient derhalve te worden uitgelegd.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat appellant op basis van de uiterste wil van erflaatster geen erfgenaam is. De rechtbank heeft zulks op goede gronden geoordeeld. Naar het oordeel van het hof gaat appellant uit van een grammaticale uitleg van het testament. De stelling van appellant dat erflaatster, indien zij appellant had willen uitsluiten als erfgenaam, expliciet in haar uiterste wil had dienen te vermelden dat na het overlijden van haar eerste echtgenoot alleen haar kinderen zouden erven doet geen recht aan de situatie waarin erflaatster in 1980 haar uiterste wil formuleerde.
Op het moment van het formuleren van haar uiterste wil in 1980 was sprake van een gezinssituatie met haar eerste echtgenoot en geïntimeerden. De positie van haar eerste echtgenoot heeft zij geregeld alsmede de positie van geïntimeerden. Het feit dat zij is gehuwd is een omstandigheid waardoor de uiterste wil van erflaatster uit 1980 onduidelijk wordt omdat appellant bij een grammaticale uitleg van de uiterste wil wel als erfgenaam moet worden aangemerkt.
Een dergelijke uitleg acht het hof met de rechtbank in strijd met de omstandigheden waaronder de uiterste wil in 1980 is geformuleerd. Bij het formuleren van haar uiterste wil heeft de toenmalige gezinssituatie bij erflaatster centraal gestaan en voor haar is nadien er geen aanleiding geweest om de wil die zij in 1980 heeft geformuleerd en vastgelegd in haar uiterste wil te veranderen.
Appellant en erflaatster zijn op hoge leeftijd getrouwd, bewust hebben zij gekozen voor het gescheiden houden van hun vermogens; zij sloten huwelijkse voorwaarden inhoudende een zogenaamde koude uitsluiting. Wat erflaatster mogelijk heeft verklaard bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden doet niet af aan het feit dat zij desondanks niet haar uiterste wil heeft gewijzigd. Volgens de wettekst (artikel 4:46 lid 2 BW) en de parlementaire geschiedenis mogen daden en verklaringen van de erflaatster buiten de uiterste wil slechts dan voor de uitleg van een uiterste wil worden gebruikt indien de uiterste wilsbeschikking zonder die verklaring geen duidelijke zin heeft. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat die situatie zich hier niet voordoet.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u vragen over de uitleg van een testament, of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, belt u dan gerust onze advocaat erfrecht op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze pagina verdeling van een erfenis. Klik dan hier.