Van onze advocaat kindsdeel. Onlangs heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan over de vraag of tijdig een beroep is gedaan op het kindsdeel.
De advocaat van eiser legt het volgende aan deze vordering ten grondslag. Uit hoofde van de nalatenschap van B heeft eiseres een inmiddels opeisbaar geworden vordering op erflater verkregen.
Als meest verstrekkend verweer doet de advocaat van gedaagde een beroep op verjaring. Hiertoe voert hij het volgende aan. Het kindsdeel is opeisbaar geworden op het moment dat erflater en gedaagde zijn gaan samenwonen. Hiertoe verwijst zij naar de overgelegde gegevens uit de Basisregistratie Personen waaruit blijkt dat gedaagde per 5 maart 1992 woonachtig was te A en dat erflater per 21 januari 1994 op dat adres is geregistreerd als inwonende. Er zijn sindsdien meer dan twintig jaren verstreken alvorens eiseres tot opeising is overgaan, zodat de vordering verjaard is.
Van verjaring is volgens de advocaat van eiseres geen sprake. Hiertoe voert zij het volgende aan. Erflater en gedaagde zijn niet eerder dan 22 december 1994 gaan samenwonen. Daarvoor verwijst zij naar de overgelegde gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie, waaruit blijkt dat erflater zich per die datum heeft laten inschrijven. Indien er wel sprake zou zijn van eerdere samenwoning, dan voert eiseres het volgende aan. De bepaling in het testament van B waarin staat dat de vordering bij samenwoning opeisbaar wordt, is nietig wegens strijd met de openbare orde of de goede zeden. De vordering is dan ook pas door het overlijden van erflater opeisbaar geworden.
Subsidiair beroept eiseres zich op de verlengingsgrond van artikel 3:320 juncto artikel 3:321 lid 1 sub f BW omdat erflater en gedaagde opzettelijk de samenwoning hebben verzwegen, waardoor eiseres hiervan niet eerder dan maart 2015 op de hoogte is geraakt. Ook is volgens eiseres de lopende verjaring gestuit doordat gedaagde de vordering erkend heeft, althans door die erkenning is de verbintenis omgezet in een rechtens afdwingbare verbintenis.
Kindsdeel verjaard?
De rechtbank is van oordeel dat het verjaringsberoep slaagt. Hiertoe is het volgende redengevend. Op grond van artikel 3:306 BW verjaart een vordering als de onderhavige door verloop van twintig jaren, nu de wet ten aanzien hiervan niet anders bepaalt. Deze verjaringstermijn is op grond van artikel 3:313 BW gaan lopen vanaf het moment waarop de vordering opeisbaar is geworden. Gelet op de in het testament van B opgenomen opeisingsgronden zal moeten worden uitgegaan van het moment dat erflater en gedaagde zijn gaan samenwonen. Die uiterste wilsbeschikking acht de rechtbank niet in strijd met de openbare orde of de goede zeden, temeer nu gedaagde weersproken heeft dat de maatschappelijke opvattingen destijds en thans tot die conclusie dwingen. Voorts doet de rechtbank haar oordeel steunen op de goede bedoeling die B wordt verondersteld te hebben gehad bij het opnemen van de bepaling.
De advocaat van gedaagde heeft voldoende gesteld en aan de hand van de door haar overgelegde gegevens aangetoond dat de samenwoning op 21 januari 1994 is aangevangen. De advocaat van eiseres heeft die stelling en gegevens onvoldoende weersproken. Uit de door haar overgelegde gegevens valt namelijk niet af te leiden hoe de situatie voorafgaande aan 22 december 1994 was, aangezien deze gegevens niet verder in tijd teruggaan. Als aanvang van de verjaringstermijn heeft dan ook 21 januari 2014 te gelden. Uit de vaststaande feiten blijkt dat eiseres het kindsdeel niet eerder dan bij brief van 4 november 2014 heeft opgeëist. Op dat moment waren er meer dan twintig jaren verstreken, zodat de lopende verjaring toen al was voltooid.
Er doet zich naar het oordeel van de rechtbank geen verlengingsgrond voor. Daartoe merkt de rechtbank op dat tussen partijen vaststaat dat er vanaf 1993 geen tot nauwelijks contact is geweest tussen erflater en eiseres. Tegen deze achtergrond kan het enkele feit dat erflater eiseres niet heeft ingelicht over het samenwonen niet worden aangemerkt als een opzettelijke verzwijging als bedoeld in artikel 3:321 lid 1 onder f BW. Voor het overige zijn er geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat erflater bewust eiseres hierover niet op de hoogte heeft gebracht.
Ook is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van stuiting. Weliswaar kan uit de briefwisseling tussen gedaagde en de advocaat worden opgemaakt dat het kindsdeel uiteindelijk is erkend, maar dat heeft plaatsgevonden nadat de verjaring op 21 januari 2014 al voltooid was. Anders dan eiseres betoogt, is er door deze enkele erkenning bovendien geen sprake van omzetting in een rechtens afdwingbare verbintenis. Gesteld noch gebleken is namelijk dat er tussen partijen een daartoe strekkende overeenkomst, als bedoeld in artikel 6:5 lid 1 BW, is gesloten.
Nu de rechtsvordering ter zake van het kindsdeel is verjaard, zullen de vorderingen worden afgewezen. Gelet hierop kan in het midden blijven of gedaagde de nalatenschap zuiver of beneficiair heeft aanvaard. Ook zal de gevorderde financiële inzage worden afgewezen, nu niet vastgesteld hoeft te worden of het kindsdeel vanuit de nalatenschap kan worden voldaan.
Heeft u vragen over het kindsdeel of over de verdeling van een erfenis, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
U kunt meer te weten komen over het kindsdeel door onze webpagina te bezoeken over het kindsdeel. Klik hier om verder te lezen.