Van onze advocaat erfrecht. De Rechtbank Limburg heeft op 24 januari 2018 uitspraak gedaan over onttrokken gelden uit de nalatenschap door gevolmachtigde.

De erfgenaam heeft gesteld dat hij al sedert 2002 een volmacht had van zijn vader, de erflater, die tot de dood van vader is blijven bestaan, zonder dat vader ooit bezwaren heeft geuit.

Wanneer de volmachtgever niet meer in staat is om de handelingen van de gevolmachtigde te overzien en voor zijn belangen op te komen, dan kan volgens de advocaat van de erfgenaam niet worden gesteld dat er is gehandeld zonder toestemming. Hoogstens leidt dit tot een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording. Nimmer kan dat er volgens de advocaat van erfgenaam toe leiden dat elke handeling geacht moet worden zonder toestemming te zijn verricht. Dat zou volgens gedaagde immers neerkomen op het ontbreken van een rechtsgeldige volmacht, zulks terwijl volgens de wettelijke bepalingen een volmacht slechts zijn geldigheid verliest bij ondercuratelestelling, waarvan hier geen sprake is geweest.

Wederrechtelijk onttrokken gelden door gevolmachtigde? Rekening en verantwoording? Volmacht?

De rechter oordeelt dat dat voorgaande berust op een verkeerde lezing van het vonnis van 10 mei 2017. De rechtbank heeft toen immers niet geoordeeld dat, als vader niet meer wilsbekwaan (compos mentis) was, de volmacht vanaf dat moment zijn geldigheid heeft verloren.

De rechter heeft toen geoordeeld dat gelet op het bestaan van de machtiging uitgegaan moet worden dat de erfgenaam toestemming had gekregen voor de door hem uitgevoerde transacties, tenzij vast komt te staan dat transacties zónder toestemming van de vader zouden zijn verricht.

Wat de rechter hier heeft bedoeld is dat als vader niet meer compos mentis was, er niet zonder meer vanuit kan worden gegaan dat het voortbestaan van de volmacht toestemming inhoudt, bijvoorbeeld als het uitgavenpatroon sindsdien niet past binnen het uitgavenpatroon van vader voordien.

De advocaat van de erfgenaam heeft gesteld dat eiser heeft erkend, hetgeen door erfgenaam ook was verklaard, dat erfgenaam geen rekening en verantwoording was verschuldigd aan vader. Daaruit volgt volgens erfgenaam dat de omstreden vermeerderde eis, gebaseerd op de stelling dat erfgenaam ook onrechtmatig zou hebben gehandeld jegens vader, gedekt is.

Deze stelling worden door de rechter verworpen. Afgezien van de vraag of eiser heeft bedoeld te stellen of te erkennen dat erfgenaam ook geen rekening- en verantwoordingsplicht heeft jegens de hem en de overige erfgenamen, kan, ook indien eiser zou hebben gesteld of erkend dat gedaagde geen rekening en verantwoording is verschuldigd aan vader, hieruit niet volgen dat gedaagde niet onrechtmatig jegens vader kan hebben gehandeld.

Daarnaast heeft de advocaat van erfgenaam gesteld dat, nadat de rechtbank heeft vastgesteld dat eiser alleen een vordering tegen hem als deelgenoot had ingesteld, en deze niet toelaatbaar heeft geoordeeld, de rechtbank uitdrukkelijk heeft geoordeeld dat een eventuele schuld van gedaagde aan de nalatenschap alleen nog een rol zou kunnen spelen op grond van toepassing van artikel 3:184 BW. Voorts wijst de advocaat van de erfgenaam op het feit dat de rechter vervolgens uitdrukkelijk heeft overwogen dat voor zover de schuld van de erfgenaam aan de nalatenschap zijn erfdeel te boven gaat deze niet in de verdeling in de verdeling kan worden betrokken.

Op grond van de gewijzigde eis dient thans ook te worden geoordeeld over de vraag of gedaagde als erfgenaam kan worden veroordeeld om de beweerdelijk door hem toegeëigende geldbedragen te vergoeden aan de nalatenschap van vader.

Met een beroep op het arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 mei 2016 (GHDHA:2016:1575) betoogt de advocaat van eiser dat gedaagde als erfgenaam hiertoe kan worden veroordeeld. Het arrest van het gerechtshof is echter niet te verenigen met het arrest van de Hoge Raad van 8 september 2000 (HR:2000:AA7043).

Eiser heeft ook niet onderbouwd waarom zou moeten afgeweken van het arrest van de Hoge Raad. Het hof overweegt ook niet dat en waarom zou moeten worden afgeweken van het arrest van de Hoge Raad. De rechtbank zag geen aanleiding om eiser te volgen in zijn standpunt en af te wijken van de door de Hoge Raad in voormeld arrest neergelegde rechtsregel.

De rechter wijst ten slotte op het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 maart 2015 (GHARL:2015:2126), waarin in een gelijkaardige zaak als de onderhavige uitdrukkelijk onder verwijzing naar voormeld arrest van de Hoge Raad werd geoordeeld dat een deelgenoot niet op vordering van een andere deelgenoot kon worden veroordeeld om een bedrag in de nalatenschap in te brengen dat laatstbedoelde deelgenoot aan de erflater verschuldigd was.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling en afwikkeling van een erfenis, over het onttrekken van gelden of goederen uit een erfenis, over een volmacht of over het afleggen van rekening en verantwoording in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat erfrecht op 020-3980150.