Van onze advocaat erfrecht. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 9 januari 2018 uitspraak gedaan over een verzoek tot herziening van een eerder vonnis

Op 9 september 2014 heeft klager als erfgenaam een klacht ingediend tegen de notaris wegens het onzorgvuldig handelen als vereffenaar bij de afwikkeling van de nalatenschap van zijn vader.

De rechter heeft in aanwezigheid van de erfgenaam en de notaris de klacht mondeling behandeld op 16 maart 2015.

Bij beslissing van 21 september 2015 (NL:TNORSHE:2015:28) heeft de rechter de erfgenaam in de klacht niet-ontvankelijk verklaard.

Op 1 december 2015 heeft de erfgenaam tegen voormelde beslissing van de rechter hoger beroep ingesteld. Bij beslissing van 14 juni 2016 (GHAMS:2016:2340) heeft dit hof erfgenaam niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens overschrijding van de appeltermijn.

De erfgenaam heeft de kamer bij brief van 18 juli 2016 verzocht om herziening van de beslissing van 21 september 2015.

Bij brief van 11 september 2016 heeft de advocaat van erfgenaam de rechter verzocht om herziening van de beslissing van 14 juni 2016. De rechter heeft dit verzoek bij brief van 13 oktober 2016 afgewezen.

Bij de bestreden beslissing van 15 mei 2017 heeft de kamer klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot herziening van de beslissing van 21 september 2015.

 De mogelijkheid van het instellen van hoger beroep tegen een beslissing van de rechter op een herzieningsverzoek (ongeacht of door de rechter daarop inwilligend dan wel afwijzend is beslist) heeft het hof reeds aanvaard in eerdere beslissingen (GHAMS:2015:1089 en GHAMS:2017:2505). Klager kan derhalve worden ontvangen in zijn hoger beroep.

 Het herzieningsverzoek

Klager als erfgenaam heeft verzocht om herziening van de beslissing van de kamer van 21 september 2015.

Volgens de erfgenaam is in die beslissing ten onrechte vermeld dat hij ter zitting van 16 maart 2015 expliciet heeft verklaard dat de klacht als ingetrokken kon worden beschouwd als de bank instemde met een verkrijging door klager van de ouderlijke woning. Er is slechts afgesproken dat de behandeling van de zaak zou worden aangehouden, aldus de advocaat van de erfgenaam.

Verder is volgens erfgenaam ten onrechte in de beslissing van 21 september 2015 opgenomen dat de bank heeft ingestemd met een verkrijging door klager van de ouderlijke woning. Naar de mening van klager was er geen akkoord van de bank. Gezien het feit dat er op 22 oktober 2015, 12 november 2015 en 4 februari 2016 geen akkoord was, was er derhalve vóór de uitspraak op 21 september 2015 ook geen akkoord. Het is bovendien de notaris geweest die niet aan de voorwaarden van de bank heeft voldaan, aldus de advocaat van de erfgenaam.

De advocaat van de erfgenaam concludeert dat de vaststelling van de intrekking van de klacht door de kamer nooit zou hebben plaatsgevonden, als de kamer van het bovenstaande op de hoogte was geweest.

De notaris heeft aangevoerd dat hetgeen door klager is aangevoerd geen reden is voor herziening.

Volgens de notaris probeert klager feitelijk voor een tweede keer in hoger beroep te gaan in dezelfde zaak. De wet biedt daartoe echter niet de mogelijkheid en die mogelijkheid is ook niet anderszins aanvaard, aldus de advocaat van de notaris.

 Verzoek tot herziening. Fout in vonnis?

Allereerst merkt de rechter het volgende op.

Het verzoek tot herziening is ingediend door klager bij de kamer en daaraan staat niet in de weg dat hij van die beslissing nog hoger beroep heeft ingesteld. Immers, wegens termijnoverschrijding is klager niet ontvangen in dat hoger beroep en heeft het hof niet verder over de zaak beslist.

Het hof overweegt verder als volgt.

Volgens vaste rechtspraak van dit hof (GHAMS:2012:BV6394, GHAMS:2012:CA2559 en GHAMS:2016:5292) kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden beslissing worden herzien op grond van nauwkeurig omschreven feiten of omstandigheden die:

  1. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
  2. bij verzoek(st)er vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn;
  3. ingeval zij bij de tuchtrechter vóór de uitspraak bekend zouden zijn geweest, het ernstige vermoeden rechtvaardigen dat de tuchtrechter tot een andere beslissing zou zijn gekomen.

Deze vereisten zijn cumulatief.

Daarnaast geldt dat de beslissing in kracht van gewijsde moet zijn gegaan en voorts dat het verzoek tot herziening dient te worden gedaan binnen een redelijke termijn na het bekend worden bij verzoek(st)er van de (nieuwe) feiten of omstandigheden, terwijl het verzoek eveneens zal moeten voldoen aan het bepaalde in artikel 107 lid 2 van de Wet op het notarisambt.

Hetgeen erfgenaam heeft aangevoerd ziet niet op feiten of omstandigheden die voldoen aan de strikte genoemde voorwaarden. Met de kamer is het hof van oordeel dat de erfgenaam voormelde stellingen in hoger beroep aan de orde had kunnen stellen. De omstandigheid dat erfgenaam vanwege het niet tijdig instellen van het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard in zijn hoger beroep, komt voor zijn rekening en risico. Gezien het vorenstaande dient het herzieningsverzoek van klager te worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de zorgplicht van een notaris of over het instellen van hoger beroep of over herziening van een vonnis in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat erfrecht op 020-3980150.