Van onze advocaat erfrecht. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 15 augustus 2017 uitspraak gedaan over een vordering van erfgenamen om de mede-erfgenamen te veroordelen tot het afleggen van rekening en verantwoording over de pin- en kasopnames en overboekingen van tot de nalatenschap behorende bankrekeningen. Beroep op artikel 3:194 wegens verzwijging?

De grieven hebben betrekking op de afwijzing door de rechtbank van de vorderingen van appellanten, kort gezegd, tot veroordeling van geïntimeerden tot het afleggen van rekening en verantwoording en tot terug storting of vergoeding van de bedragen waarover zij niet deugdelijk rekening en verantwoording hebben kunnen. In hoger beroep stellen appellanten dat het hierbij gaat om een totaal bedrag aan opnames en overboekingen van tenminste € 197.794,53. De advocaat van appellanten legt aan de vorderingen ten grondslag dat de psychische gesteldheid van erflaatster gedurende de periode vanaf de volmacht verlening aan geïntimeerden, althans vanaf haar opname in het azM en aansluitend in verpleeghuis, tot aan haar overlijden dermate slecht was dat zij niet in staat was haar financiële belangen te behartigen en de handelingen van geïntimeerden in het kader van de aan hen verstrekte volmacht te overzien. Zij hebben het ernstige vermoeden dat geïntimeerden hiervan misbruik hebben gemaakt en dat de door hen gedane pin- en kasopnames en overboekingen zonder medeweten van erflaatster niet ten goede van haar zijn gekomen. Daarom verlangen zij van geïntimeerden dat zij rekening en verantwoording afleggen. Indien geïntimeerden deze niet deugdelijk kunnen geven, staat vast dat zij zijn tekort geschoten in het door hen als gevolmachtigden gevoerde beheer, althans dat zij onrechtmatig hebben gehandeld door bedragen van erflaatster op te nemen, te pinnen of over te boeken en mee naar huis te nemen, aldus de advocaat van appellanten.

Zorgplicht en beheer van gelden tijdens leven van erflater

Een groot deel van het door appellanten gevorderde bedrag van € 197.794,53 betreft een bedrag van € 120.000,00, waarvan, zo is ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep gebleken, vast staat dat dit bedrag door geïntimeerden van de bankrekeningen van erflaatster is opgenomen en mee naar huis is genomen. Nu tussen partijen niet in geschil is dat dit bedrag aan erflaatster toebehoorde, zijn geïntimeerden in beginsel verplicht dit bedrag terug te storten in de nalatenschap van erflaatster. Geïntimeerden stellen echter dat zij hiertoe niet in staat zijn, omdat de kluis waarin zij het geld bewaarden uit hun huis is gestolen. Kennelijk beroepen zij zich op overmacht.

Aan het hof ligt nu de vraag ter beantwoording voor of geïntimeerden als houders van het bedrag van € 120.000,00, dat aan erflaatster toebehoorde, aansprakelijk zijn voor de gevolgen van de verdwijning van het bedrag, aldus dat zij zich op overmacht kunnen beroepen.

Ook als wordt aangenomen dat het geld met medeweten en toestemming van erflaatster is opgenomen en vervolgens uit de kluis is verdwenen als gevolg van diefstal, zoals door geïntimeerden wordt gesteld en door appellanten wordt betwist, dient deze vraag naar het oordeel van het hof bevestigend te worden en wel om het volgende.

Het hof begrijpt geïntimeerden aldus dat zij stellen dat zij handelden in opdracht van erflaatster.             Als sprake is van een onderliggende overeenkomst van opdracht, heeft te gelden dat zij de zorg van een goed opdrachtnemer (of in het geval de overeenkomst gekwalificeerd kan worden als een overeenkomst van bewaarneming de zorg van een goed bewaarnemer) in acht hadden dienen te nemen. Maar ook als er geen overeenkomst tussen geïntimeerden en erflaatster (zoals opdracht of bewaarneming) ten grondslag lag aan de opname van het bedrag in contanten, rustten naar het oordeel van het hof op geïntimeerden jegens erflaatster de plicht om de nodige zorg ten aanzien van het geld te betrachten, temeer nu het om een zeer groot geldbedrag ging.

Als reden om het geld op te nemen en thuis in de kluis te bewaren geven geïntimeerden op dat erflaatster dat uitdrukkelijk zo wilde, omdat zij vanwege de kredietcrisis geen vertrouwen meer had in het bankwezen, met name niet in de ABN AMRO bank, en dat zij daarom haar geld wilde spreiden over verschillende (andere) banken. Wat er ook zij van de gegrondheid van de reden om het geld op te nemen, het hof acht deze grond ontoereikend om het bewaren van geld in de kluis thuis, althans onverzekerd tegen diefstal te rechtvaardigen. Niet valt in te zien dat dit geld, als dat toch al de bedoeling was, zoals geïntimeerden zelf stellen niet meteen gestort had kunnen worden op nieuw te openen bankrekeningen ten name van erflaatster of geïntimeerden bij een andere bank of andere banken dan de ABN AMRO bank. Op het moment dat de kluis met geld uit de woning van geïntimeerden zou zijn gestolen lag het geld volgens de eigen verklaring van geïntimeerden ten overstaan van de notaris al zo’n twee tot zes maanden in de kluis.

Geïntimeerden hebben met het deponeren en bewaren van het geld in de kluis bij hen thuis een onaanvaardbare mate van risico van diefstal genomen. Diefstal van (geld uit) een kluis uit huis is nu eenmaal niet zo uitzonderlijk dat daarmee geen rekening hoefde te worden gehouden. Daarnaast hadden geïntimeerden het geld niet in de kluis mogen bewaren zonder toereikend verzekerd te zijn. Zij mochten er immers niet op vertrouwen dat de kluis niet gestolen zou worden. Daarbij komt dat het ging om een ondeugdelijke kluis, namelijk een niet ingemetselde kluis van geringe omvang.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat geïntimeerden in hun zorgplicht jegens erflaatster tekort zijn geschoten. Voor zover in de stellingen van geïntimeerden een beroep op overmacht kan worden gelezen, wordt dit beroep verworpen, omdat naar het verkeer geldende opvattingen het risico van diefstal van de kluis (waarvan een waardevolle inhoud niet of ontoereikend is verzekerd) voor rekening van geïntimeerden dient te komen. Dit betekent dat de vordering van appellanten tot vergoeding van het bedrag van € 120.000,00 aan de nalatenschap (boedelrekening) in ieder geval voor toewijzing in aanmerking komt. In zoverre slaagt de grief van appellanten.

Nog in geschil is in hoeverre de kluis eigen geld van appellanten bevatte. Ter gelegenheid van het pleidooi zijn partijen overeengekomen dat zich in de kluis een bedrag van € 120.000,- bevond dat aan erflaatster toebehoorde. Appellanten zijn derhalve gehouden dit bedrag in te brengen in de nalatenschap, althans de helft daarvan uit te keren aan appellanten.

Rest de vraag of de pinopnames van vóór de diefstal tot het beloop van € 14.000,- en € 6.690,-, die afzonderlijk worden gevorderd, niet ook tot de kluisschade moet worden gerekend.

Artikel 3:194 lid 2 BW : verzwijging van gelden?

In hoger beroep beroepen appellanten zich tevens op artikel 3:194 lid 2 BW. In dit artikel is bepaald dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoekt maakt of verborgen houdt, zijn aandeel verbeurt in die goederen aan de andere deelgenoten. Appellanten stellen op grond van dit artikel recht te hebben op het gehele bedrag van € 197.794,53. Het hof ziet aanleiding om het beroep op artikel 3:194 BW nu al te behandelen.

De sanctie van artikel 3:194 lid 2 BW richt zich op de deelgenoot die handelt met het opzet om de overige deelgenoten verkeerd te informeren over de omvang van hun aandeel in de gemeenschap en hen op die manier te kort te doen. De sanctie strekt zich niet uit tot de deelgenoot die zich vóór de verdeling van de (toekomstige) gemeenschap alvast in het bezit stelt van een goed uit die (toekomstige) gemeenschap als dat niet tot gevolg heeft dat die inbezitneming voor de anderen verborgen blijft.

De door geïntimeerden gedane opnames en overboekingen van de bankrekeningen van erflaatster zijn kenbaar uit de bankafschriften. Appellanten hebben hun vorderingen hierop ook gebaseerd. Daarnaast hebben geïntimeerden in de notariële akte van 28 april 2014 (‘Verklaring inzake nalatenschap) een groot deel van de opnames en overboekingen van de bankrekeningen van erflaatster ook genoemd (waarmee overigens nog niet is gezegd dat zij met deze verklaring ten overstaan van de notaris voldoende rekening en verantwoording hebben afgelegd ten aanzien van die opnames en overboekingen). Ook als wordt aangenomen dat erflaatster niet meer wilsbekwaam was en geïntimeerden zich ervan bewust moeten zijn geweest dat zij niet tot de opnames gerechtigd waren, rechtvaardigt dit nog niet de conclusie dat geïntimeerden hebben geprobeerd appellanten als de overige deelgenoten in de (toekomstige) nalatenschap tekort te doen door voor hen verborgen te houden dat de door hen opgenomen en overgeboekte gelden tot de (toekomstige) nalatenschap van erflaatster behoorden. Ten aanzien van het bedrag van € 120.000,00 waarvan tussen partijen vast staat dat geïntimeerden dit hebben gepind van de bankrekeningen van erflaatster en mee naar huis hebben genomen kan deze conclusie evenmin worden getrokken. Wat er ook zij van de door geïntimeerden gestelde diefstal van dat geld, niet kan worden gezegd dat zij voor appellanten hebben verborgen gehouden dat zij geld dat toebehoorde aan erflaatster in contanten mee naar huis hebben genomen. Het feit dat zij bij de aangifte van de diefstal tegenover de politie verschillende verklaringen hebben afgelegd over de eigendom van het geld dat zou zijn gestolen, doet hieraan niet af.

Naar het oordeel van het hof hebben appellanten dan ook onvoldoende gesteld om hun beroep op artikel 3:194 lid 2 BW te laten slagen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u vragen over het afleggen van rekening en verantwoording in het erfrecht, de informatieplicht tussen erfgenamen, verzwijging van gelden uit de nalatenschap of onrechtmatige onttrekking van gelden uit de nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat erfrecht op 020-3980150.