Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 10 augustus 2021 uitspraak gedaan over de mogelijkheid van een voorschot op de uitbetaling van een erfdeel in een nalatenschap.
Geïntimeerde en appellanten zijn de versterferfgenamen van erflater.
Geïntimeerde enerzijds en appellanten anderzijds verschillen in de kern van mening over de mogelijkheid van geïntimeerde om in kort geding een voorschot op haar erfdeel te vorderen.
Erfrecht. Verzoek in kort geding om voorschot op betaling van erfdeel in nalatenschap. Is de nalatenschap toereikend voor de uitbetaling van het voorschot?
De rechter oordeelt als volgt.
Vooropgesteld wordt dat het in dit kort geding bij de vraag of geïntimeerde recht heeft op een voorschot om een ordemaatregel gaat.
Dit betekent dat het naar zijn aard om een voorlopige maatregel gaat, bedoeld om te gelden totdat de bodemrechter daarover heeft beslist.
Bij de beoordeling van de vordering is voorts van belang dat nu vaststaat dat erflater geen testament heeft gemaakt en hij geïntimeerde]als echtgenoot en appellanten als zijn kinderen achterlaat, op grond van artikel 4:13 BW de wettelijke verdeling geldt.
Dit betekent dat geïntimeerde als langstlevende echtgenoot van rechtswege de goederen van de nalatenschap van erflater heeft verkregen en dat de schulden van de nalatenschap voor haar rekening komen (artikel 4:13 lid 2 BW).
Appellanten hebben als kinderen van erflater van rechtswege een niet-opeisbare geldvordering op geïntimeerde verkregen (artikel 4:13 lid 3 BW).
Verder is van belang dat geïntimeerde de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, hetgeen tot gevolg heeft dat op grond van artikel 4:202 lid 3 BW de nalatenschap moet worden vereffend volgens de regels van afdeling 3 van titel 6 van boek 4 BW.
Niet in discussie is dat geïntimeerde geen toegang heeft tot het vermogen van erflater.
Diens bankrekeningen, waaronder zijn privé rekening, zijn geblokkeerd.
Niet, althans onvoldoende, is weersproken dat geïntimeerde sinds januari 2020 van haar werkgever geen loon meer ontvangt, ondanks dat de vennootschap daartoe bij kortgedingvonnis van 26 oktober 2020 is veroordeeld.
Ook het door de voorzieningenrechter toegekende voorschot van € 25.000,00 heeft zij niet ontvangen.
Het hof is van oordeel dat geïntimeerde aldus voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij nog steeds in financiële nood verkeert.
Ook is niet gebleken van andere inkomensbronnen.
Met de financiële nood van geïntimeerde is tevens het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening gegeven.
Zij beschikt thans immers niet over financiële middelen om in haar levensonderhoud te voorzien.
Naar voorlopig oordeel van het hof heeft geïntimeerde daarom recht op een voorschot op haar erfdeel.
Dat geïntimeerde de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard en appellanten eveneens worden geacht de nalatenschap beneficiair te hebben aanvaard aangezien zij niet binnen de in artikel 4:192 lid 4 BW genoemde termijn een keuze hebben gedaan, staat aan toekenning van een voorschot niet in de weg.
Als het toekennen van een voorschot als een partiële verdeling moet worden aangemerkt, dan geldt dat de wet geen duidelijk verbod op het vroegtijdig, namelijk vooruitlopend op de voltooiing van de vereffening, partieel verdelen van de nalatenschap bevat.
Het hof gaat er daarom vanuit dat de wettelijke regeling van de beneficiaire aanvaarding zich niet tegen de uitkering van een voorschot verzet.
De vraag is vervolgens of het gevorderde bedrag toewijsbaar is.
Geïntimeerde beroept zich ter onderbouwing van haar vordering tot uitbetaling van een voorschot op de erfenis van € 60.000,00 op een door de accountant van erflater opgesteld overzicht.
Uit dit overzicht blijkt dat het saldo van de nalatenschap van erflater ten tijde van zijn overlijden € 773.568,00 bedroeg.
Geïntimeerde merkt op dat dit overzicht slechts een schatting betreft, maar volgens haar is de accountant van erflater een deskundig persoon en er is geen reden om eraan te twijfelen dat de nalatenschap niet tenminste omvat hetgeen in het overzicht is vermeld.
Het ligt niet voor de hand dat er opeens sprake is van een negatieve nalatenschap dan wel een zodanig beperkte omvang van de nalatenschap dat uitbetaling van een voorschot van € 60.000,00 op haar erfdeel niet reëel zou zijn, aldus geïntimeerde.
Appellanten hebben in hoger beroep ter toelichting van hun verweer dat de nalatenschap ontoereikend is om het gevorderde voorschot uit te keren een rapport van bevindingen van oktober 2020 overgelegd.
Het hof is van oordeel dat appellanten met genoemd rapport van bevindingen de vaststelling van de omvang van de nalatenschap door de accountant van erflater onvoldoende hebben betwist.
Daarbij acht het hof van belang dat niet duidelijk is op grond van welke stukken het rapport van bevindingen is opgesteld. De stukken waarop het rapport is gebaseerd zijn ook niet overgelegd.
Geïntimeerde heeft geen beschikking over andere stukken voor de vaststelling van de omvang van de nalatenschap dan genoemd overzicht van de accountant van erflater en ook het hof beschikt niet over andere stukken.
Verder is van belang dat het een eenzijdig rapport betreft en geïntimeerde daarbij niet is betrokken noch gehoord.
Op grond van het voorgaande gaat het hof er vanuit dat de nalatenschap van erflater ten tijde van zijn overlijden € 773.568,00 bedroeg, zoals door zijn vaste accountant vastgesteld.
Daarnaast blijkt uit een door appellanten overgelegd bankafschrift dat het saldo van de privé rekening van erflater per 13 april 2020 € 55.431,13 bedroeg.
Aldus kan niet worden gezegd dat het saldo van de nalatenschap van erflater ten tijde van zijn overlijden ontoereikend is om het door geïntimeerde gevorderde voorschot van € 60.000,00 uit te keren.
Het hof ziet in de omstandigheid dat geïntimeerde door de verkoop van de auto van erflater reeds een bedrag van € 25.500,00 heeft ontvangen geen aanleiding om haar een lager bedrag toe te kennen. Zoals hiervoor is overwogen, is bij geïntimeerde sprake van financiële nood.
Sinds het overlijden van erflater zijn inmiddels 16 maanden verstreken en gedurende deze periode heeft geïntimeerde over vermogen noch inkomen kunnen beschikken.
Onder deze omstandigheden is het alleszins begrijpelijk dat zij de opbrengst van de auto niet heeft gestort op de – geblokkeerde – boedel/ervenrekening, maar onder meer heeft aangewend om, naar het hof begrijpt, te voorzien in haar levensonderhoud.
Net als de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat voorzienbaar is dat geïntimeerde als langstlevende echtgenote nog geruime tijd niet over de nalatenschap van erflater noch over inkomen kan beschikken.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken, dat er (nog) geen vereffenaar is benoemd.
Tussen partijen is niet in discussie dat er nog steeds geen aanvang is gemaakt met de vereffening.
Gelet op de tussen partijen nog aanhangige procedures valt ook niet te verwachten dat de vereffening spoedig ter hand zal worden genomen.
Zolang de nalatenschap nog niet is vereffend, vormt de nalatenschap in het belang van de schuldeisers een afgescheiden vermogen.
Geïntimeerde mag erflater dan wel van rechtswege zijn opgevolgd in zijn vermogen, maar zij zolang er nog niet vereffend is, kan zij daarover niet over beschikken.
Dit alles leidt ertoe dat naar voorlopig oordeel van het hof de vordering van geïntimeerde om appellanten te veroordelen hun medewerking te verlenen aan de betaling van een voorschot van € 60.000,00 op haar erfdeel moet worden toegewezen.
Ook het hof acht daarbij een betalingstermijn van twee weken om aan deze veroordeling te voldoen redelijk.
Vaststaat dat op de erfopvolging van erflater Nederlands recht van toepassing is en op grond van het Nederlandse recht staat eveneens vast dat de nalatenschap zowel door geïntimeerde als appellanten beneficiair is aanvaard.
Een dergelijke aanvaarding werkt naar Nederlands recht terug tot de datum van het overlijden en is onherroepelijk.
Daarom kan van het alsnog zuiver aanvaarden van de nalatenschap door appellanten een sprake zijn.
Het hof oordeelt dat het door geïntimeerde onder primair gevorderde toewijsbaar is, omdat aan de voorwaarden van artikel 3:300 BW is voldaan.
Appellanten zijn door de voorzieningenrechter veroordeeld tot het verlenen van hun medewerking aan betaling aan geïntimeerde van een voorschot op haar erfdeel van € 25.000,00 binnen twee weken na betekening van het vonnis en deze veroordeling is alsnog bij aanvullend vonnis van 26 oktober 2020 uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
Vaststaat echter dat appellanten niet aan deze veroordeling hebben voldaan.
Er kan daarom niet zonder meer vanuit worden uitgegaan dat zij thans vrijwillig aan de huidige veroordeling zullen voldoen door aan de bank toestemming te geven de betaling aan geïntimeerde uit te voeren en er in dat verband voor te zorgen dat de benodigde verklaring van erfrecht wordt opgemaakt.
Daarom is er alle aanleiding om te bepalen dat ingeval appellanten niet binnen de termijn van twee weken aan deze veroordeling voldoen, dit arrest in de plaats van hun noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekeningen treedt.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een voorschop op een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.