De Rechtbank Rotterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of een vordering tot een som ineens was verjaard.

Eiser stelt dat zij arbeid in de huishouding van erflaatster heeft verricht, zonder dat zij daarvoor een redelijke vergoeding heeft ontvangen.

Zij maakt daarom aanspraak op een redelijke vergoeding, de ‘som ineens’.

Een bedrag van € 50.000,- acht zij redelijk.

Wanneer zij de zorg voor erflaatster niet op zich had genomen, had erflaatster verpleegd moeten worden door een betaalde instelling of waren op andere wijze kosten gemaakt, aldus eiser.

Gedaagden voeren het formele verweer dat geschillen over de som ineens uitsluitend door middel van een verzoek aan de kantonrechter kunnen worden beslecht en dat het geschil daarover niet in deze verdelingsprocedure kan worden behandeld.

Het meest verstrekkende materiële verweer is dat de vordering is verjaard.

Zo er al aanspraak zou kunnen worden gemaakt op een som ineens, dan stellen gedaagden dat eiser een passende beloning heeft ontvangen.

Maandelijks werd € 700,- overgemaakt naar de bankrekening van de echtgenoot van eiser.

Volgens eiser zag dat bedrag onder meer op een bijdrage voor huur, elektra, verzekeringen en boodschappen.

Erfrecht. Verrichtte arbeid in het huishouden van erflaatster. Verpleging. Som ineens. Vervaltermijn. Verjaringstermijn. Stuiting van de verjaring. Is de vordering verjaard?

De rechter oordeelt als volgt.

Op grond van lid 1 van artikel 4:37 BW vervalt de mogelijkheid om aanspraak te maken op een som ineens wanneer de rechthebbende niet binnen negen maanden na het overlijden van de erflater heeft verklaard dat hij de som ineens wenst te ontvangen.

Indien deze aanspraak tijdig is gemaakt, dan ontstaat een vordering op de gezamenlijke erfgenamen, die op grond van artikel 4:37 lid 3 BW verjaart door verloop van een jaar na het overlijden van de erflater.

In artikel 3:317 lid 1 BW is bepaald dat de verjaring wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.

Vast staat dat eiser tijdig, binnen negen maanden na het overlijden van erflaatster, aanspraak heeft gemaakt op de som ineens.

Hierdoor is een vordering ontstaan op de andere erfgenamen.

Deze vordering is echter verjaard.

Onweersproken is dat eiser bij brief van 1 april 2022 aanspraak heeft gemaakt op de som ineens.

De verjaringstermijn die aanvankelijk liep tot 14 juli 2022, is daarmee gestuit voor de duur van één jaar, tot 1 april 2023.

De brief van de advocaat van eisers van 16 januari 2023 kan niet worden gezien als een stuitingshandeling.

Het is geen mededeling waarin eiser zich ondubbelzinnig haar recht op nakoming voorbehoudt.

De termijn die in de brief wordt genoemd, ziet bovendien op verdeling van de roerende goederen.

Gesteld noch gebleken is dat de verjaring op een ander moment is gestuit.

De rechtbank is verder van oordeel dat in deze zaak geen sprake is van een uitzonderlijk geval waarin een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

De conclusie luidt dat de op artikel 4:36 lid 1 BW gebaseerde vordering van eiser is verjaard.

Dat betekent dat de vordering alleen daarom al zal worden afgewezen en niet in de verdeling zal worden betrokken.

Ten overvloede, uit de rechtspraak over artikel 4:36 BW valt af te leiden dat er niet snel aanleiding bestaat voor uitkering van een dergelijke som.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.