De Rechtbank Noord-Holland heeft op 12 oktober 2021 uitspraak gedaan over de vraag of er sprake was van een wettelijke verdeling en of er een recht bestond op informatie over de nalatenschap.

Verzoeker, verweerder en belanghebbenden zijn de kinderen van erflaters en de erfgenamen van erflaters.

Erflaters waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.

Erflaters hebben geen testament opgemaakt.

De nalatenschappen van erflaters zijn zuiver aanvaard.

Verzoeker verzoekt de kantonrechter om te bevelen dat op grond van artikel 4:16 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 677 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een notariële boedelbeschrijving dient te worden opgemaakt door een door de kantonrechter te benoemen boedelnotaris en te bevelen dat verweerder op grond van artikel 4:16 lid 4 BW over gaat tot afgifte en/of inzage aan verzoeker van alle zich onder hem bevindende administratieve bescheiden, in het bijzonder met betrekking tot de ervenrekening en eventuele andere aan de nalatenschap toebehorende rekeningen.

Verzoeker stelt– samengevat – dat de verdeling van de nalatenschap van moeder niet heeft plaatsgevonden.

Hij heeft alleen wat roerende zaken van moeder opgeslagen omdat de huurwoning van moeder moest worden ontruimd en de oudste zoon binnen enkele dagen na overlijden van moeder terug moest naar land B.

Verzoeker meent daarom dat hij een opeisbare vordering heeft op de nalatenschap.

Verder stelt verzoeker dat verweerder als zelfbenoemd beheerder en bewindvoerder van de nalatenschap op grond van artikel 4:16 lid 4 BW volledige inzage moet geven in de stukken en dat verweerder onrechtmatig handelt door hem, verzoeker, informatie te onthouden.

Ook stelt verzoeker dat hij op grond van artikel 4:16 lid 1 BW een boedelbeschrijving mag verlangen, zodat hij kan nagaan of er zaken uit de nalatenschap zijn onttrokken.

Volgens verzoeker had moeder een PGB van jaarlijks € 66.000,00 dat niet volledig werd verbruikt en € 40.000,00 aan gouden sieraden.

Verzoeker betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal.

Verder dient verweerder over te gaan tot uitbetaling van de door verzoeker gemaakte kosten ten behoeve van de uitvaart van moeder.

Tot slot stelt verzoeker dat verweerder als onwaardig erfgenaam moet worden aangemerkt door zijn handelingen als zelfbenoemd beheerder en bewindvoerder.

Verweerder voert – samengevat – aan dat verzoeker geen beroep toekomt op artikel 4:16 BW omdat de wettelijke verdeling niet op de nalatenschap van moeder van toepassing is.

Ook komt verzoeker geen beroep toe op artikel 677 Rv omdat er geen verdelingsprodecure aan de orde is.

Verweerder voert aan dat hij niet de beheerder, de bewindvoerder of de executeur is en dat van onwaardigheid geen sprake is.

Volgens verweerder is de woning van moeder in onderling overleg uitgeruimd en zijn de roerende zaken verdeeld. Daarbij was verzoeker aanwezig.

Moeder had geen vermogen, geen PGB of sieraden.

Dit blijkt ook uit de belastingaanslagen.

Vader en moeder zijn in 2012 beroofd van hun gespaarde cashgeld en sieraden.

Verzoeker wordt van de diefstal verdacht.

Verweerder voert aan dat hij slechts over geringe informatie beschikt en dat hij deze heeft overgelegd.

Er staat een groot deel van de administratie op de door verzoeker meegenomen laptop van moeder.

Indien nodig kan verzoeker]worden gemachtigd om zelf informatie bij instellingen op te vragen.

Voor het opleggen van een dwangsom bestaat dus geen aanleiding.

Verweerder voert verder aan dat het niet de taak van een boedelnotaris is om een verdeling op te maken en dat de kosten van een boedelnotaris ten laste van de nalatenschap en niet van hem komen.

Uit het door verweerder gemaakte overzicht van baten en lasten blijkt dat er nog maar € 5.009,79 over is.

Dit bedrag is bestemd voor de uitvaart/bijzetting.

Tot slot betwist verweerder dat de door verzoeker gemaakte uitvaartkosten ten laste van de boedel moeten komen.

Hij is evenwel bereid hierover te praten.

Erfrecht. Verdeling van een nalatenschap. Wettelijke verdeling? Recht op informatie. Boedelbeschrijving. Beheer? Schulden van de nalatenschap. Kosten. Onwaardigheid?

De rechter oordeelt als volgt.

De kantonrechter stelt voorop dat, zoals verweerder ook betoogt, artikel 4:16 BW in onderhavige zaak niet van toepassing is.

Dit artikel ziet namelijk op de wettelijke verdeling.

In onderhavige zaak is geen sprake (meer) van de wettelijke verdeling omdat de langstlevende – in dit geval moeder – is overleden.

Verder overweegt de kantonrechter dat artikel 677 Rv evenmin van toepassing is.

Dit artikel ziet op een verdelingsprocedure waarbij de rechtbank een bevel tot verdeling ten overstaan van een notaris heeft gegeven.

Daarvan is geen sprake.

Dit leidt tot de conclusie dat de verzoeken van verzoeker die op zijn gebaseerd op deze artikelen, te weten worden afgewezen.

Met betrekking tot het verdere verzoek overweegt de kantonrechter als volgt.

In het verweerschrift voert verweerder aan dat hij alle informatie die hij tot zijn beschikking heeft in de procedure heeft overgelegd.

Verder heeft verweerder in het verweerschrift aangegeven dat verzoeker kan worden gemachtigd om zelf informatie bij instellingen op te vragen.

Verweerder heeft dit verzoek van verzoeker dan ook niet betwist en in zoverre komt het verzoek van verzoeker voor toewijzing in aanmerking.

Het verzoek om te bepalen dat de kosten van de duplicaten voor rekening van verweerder komen, wijst de kantonrechter echter af.

Daarvoor is geen aanleiding.

Als er al kosten zijn, dan komen die ten laste van de nalatenschap.

Daarom heeft verzoeker echter niet verzocht.

Op grond van artikel 4:7 BW komen de kosten van de uitvaart voor rekening van de nalatenschap.

Ter zitting is gebleken dat niet (langer) in geschil is dat verzoeker een bedrag van € 3.350,78 heeft betaald voor de uitvaart van moeder.

De door verzoeker in dit verband gemaakte kosten komen dan ook ten laste van de nalatenschap.

Het verzoek zal daarom worden toegewezen.

Verweerder heeft ter zitting toegezegd dat de door verzoeker gemaakte uitvaartkosten zullen worden vergoed.

De kantonrechter gaat er vanuit dat verweerder zich aan deze toezegging houdt.

Het verzoek om verweerder als onwaardig erfgenaam aan te merken wijst de kantonrechter af.

Gesteld noch gebleken is dat er is sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 4:3 lid 1 BW.

Het door verzoeker gestelde handelen van verweerder als zelfbenoemd beheerder, bewindvoerder of executeur – wat hier ook van zij – valt daar niet onder.

In de tussen partijen bestaande familierechtelijke relatie, ziet de kantonrechter aanleiding om te bepalen dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de schulden van de nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.