Het Gerechtshof Den Haag heeft onlangs uitspraak gedaan over een vaststellingsovereenkomst ter afwikkeling van een nalatenschap.
Appellante heeft ter afwikkeling van de nalatenschappen van haar grootouders een vaststellingovereenkomst gesloten met haar oom (geïntimeerde).
Appellante stelt dat zij bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst heeft gedwaald.
Het hof begrijpt uit de stukken en de mondelinge behandeling dat de onjuiste voorstelling van zaken er volgens appellante uit heeft bestaan dat zij er bij het sluiten van de overeenkomst niet van op de hoogte was dat grootmoeder een testament had opgemaakt, en dat dit te wijten zou zijn aan de verzwijging door geïntimeerde van het bestaan van dit testament.
Nu dit testament er wel blijkt te zijn, en daarin een renteclausule is opgenomen, heeft appellante een aanvullende vordering op de nalatenschap van erflater uit hoofde van de over het niet uitbetaalde erfdeel in de nalatenschap van grootmoeder verschuldigde rente, aldus appellante.
Erfrecht. Vaststellingsovereenkomst ter afwikkeling van een nalatenschap. Dwaling. Aard en bijzondere strekking van een vaststellingsovereenkomst. Toetsing.
De rechter oordeelt als volgt.
Een vaststellingsovereenkomst strekt, aldus artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek (BW), ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil langs contractuele weg over datgene wat juridisch gezien tussen partijen geldt.
De inhoud van de vaststellingsovereenkomst is bestemd om óók te gelden als deze afwijkt van hetgeen tussen partijen, achteraf, daadwerkelijk zou blijken te gelden.
Het is immers het doel van de overeenkomst dat er een definitieve oplossing komt, ondanks dat de rechten en verplichtingen van partijen (nog) niet helder zijn, zodat partijen hierover onder meer niet (verder) hoeven te procederen.
De vaststelling is in beginsel zelfs dan geldig als deze in strijd blijkt te zijn met dwingend recht (artikel 7:904 BW).
Partijen bij de vaststellingsovereenkomst binden zich dus aan een tot een vaststelling leidende beslissing over wat tussen hen rechtens is.
Deze aard en bijzondere strekking van de vaststellingsovereenkomst laat weinig ruimte voor een beroep op dwaling en vereist dus dat met een dergelijk beroep terughoudend wordt omgegaan.
Dit geldt zeker als het gaat om de onzekere of omstreden kwestie die juist het onderwerp is van de vaststellingsovereenkomst (vgl. HR 30 juni 1978, HR:1985:AC4400) in die gevallen is er in beginsel geen ruimte voor een beroep op dwaling.
Het hof is van oordeel dat dat hier het geval is, omdat de vaststellingsovereenkomst tussen appellante en geïntimeerde nu juist als onderwerp had de vaststelling van de vorderingen van appellante uit de beide nalatenschappen op basis van het boedeloverzicht en de cijfers zoals op dat moment bij de notaris bekend.
De notaris is hierbij voor de vaststelling van het nog niet uitbetaalde erfdeel in de nalatenschap van de grootmoeder van appellante kennelijk uitgegaan van de in de geleidebrief bij aanslag Successiewet van de Belastingdienst van 7 december 2007 genoemde verkrijging minus de daarover verschuldigde belasting.
Daar komt nog bij dat deze afwikkeling op aandringen van appellante zelf, zo blijkt uit de overgelegde e-mailwisselingen, met spoed is afgehandeld.
Appellante is daar uitdrukkelijk gewezen op de eventuele negatieve gevolgen.
Als daar al sprake van zou zijn, dienen die gevolgen voor risico en rekening van appellante te komen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.