De Rechtbank Overijssel heeft op 8 februari 2021 uitspraak gedaan over de vraag of een erfenis in een huwelijksgemeenschap viel.

Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over het erfdeel van de vrouw na het overlijden van haar vader in 2005, waarna zij de modezaak van haar vader, aanvankelijk als VOF met haar moeder, voortzette en in 2018 als eenmanszaak.

De omvang en de waarde van het toenmalige/thans resterende erfdeel van de vrouw en de vraag of en in hoeverre de vrouw krachtens dit erfdeel toen en thans nog (mede)gerechtigd is als (mede)erfgenaam van een of meer kennelijk krachtens voornoemde nalatenschap in (mede)eigendom verkregen onroerende zaken heeft de vrouw niet uiteengezet.

De vraag wat de omvang is op datum echtscheidingsverzoek respectievelijk wat de (huidige) waarde van het erfdeel van de vrouw is, is primair afhankelijk van het antwoord op de prealabele vraag of en zo ja in hoeverre, het (thans nog resterende) aandeel van de vrouw in de boedel is gevallen.

Erfrecht. Uitsluitingsclausule in testament. Uitleg. Valt de erfenis in de huwelijksgemeenschap?

De rechter overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat het erfdeel van de vrouw – vermogensrechtelijk – niet buiten de huwelijksgoederengemeenschap is gevallen krachtens bepalingen in een rechtsgeldig testament van de vader van de vrouw.

Genoemde erflater heeft zijn concept testament met de daarin opgenomen uitsluitingsclausule(s) niet vóór zijn overlijden getekend/kunnen tekenen, met als gevolg dat de erfenis van de vrouw in de huwelijksgoederengemeenschap van partijen is gevallen.

In een poging de rechtsgeldigheid van genoemd concept testament alsnog te realiseren hebben de erfgenamen en hun huwelijkspartners op 23 maart 2005 in een schriftelijke verklaring het volgende opgenomen en ondertekend:

 “de ondergetekenden verklaren hierbij de laatste wil van C zoals door notaris mr. H. S te U is vastgelegd in het concept testament te respecteren en te aanvaarden en spreken de wens uit dat een en ander bekrachtigd kan worden c.q. wordt.”

Voormelde schriftelijke verklaring is opgesteld op 23 maart 2005. Ook de man heeft deze verklaring ondertekend.

In een brief van gelijke datum heeft Z het volgende aan de notaris (S voornoemd) geschreven:

“Naar aanleiding van een met de familie de dato 22 maart 2005 gevoerde bespreking doe ik u een door alle betrokkenen c.q. erfgenamen ondertekende verklaring toekomen. In mijn gesprek met de familie, waarbij naast mevrouw D, ook aanwezig waren zoon E met diens echtgenote F en verzoekster met belanghebbende, heb ik het concept testament met hen doorgenomen, deels voorgelezen en uitgelegd, met name ook het hoofdstuk met betrekking tot de uitsluitingsclausule. Allen respecteren en aanvaarden de laatste wil van de heer C zoals door u is vastgelegd in het concept testament.”

Ook deze brief is, met de eerdergenoemden, door de man ondertekend.

Naar het oordeel van de rechtbank moet als (zogenoemde Haviltex-) bedoeling van (onder meer) de man en de vrouw uit genoemde producties worden opgemaakt dat partijen over en weer van elkaar hebben begrepen en redelijkerwijs van elkaar mochten begrijpen en aldus er op mochten vertrouwen dat de man – verbintenisrechtelijk – geen aanspraak zou maken op vergoeding bij helfte van het door de vrouw verkregen erfdeel en de vruchten hieruit ingeval van echtscheiding.

Dat de notaris aan genoemd verzoek van de erfgenamen geen uitwerking heeft kunnen geven, spreekt voor zich.

Erflater was overleden en een postuum testament is niet mogelijk.

De niet onderbouwde stelling tijdens de mondelinge behandeling van de man dat hij de inhoud van de onderhandse akten van 23 maart 2005 niet begreep respectievelijk niet wist waarvoor hij tekende, moet worden gepasseerd.

De man heeft blijkens de tekst van de brief getekend voor de uitleg door Z van de uitsluitingsclausule.

Zijn stelling dat hij tekende in de veronderstelling dat de vrouw niet anders dan via deze verklaring de modezaak kon voortzetten, is niet onderbouwd en volstrekt niet geloofwaardig.

Niet onderbouwd is immers dat de man het begrip uitsluitingsclausule en het daardoor niet in een huwelijksgoederengemeenschap vallen van een erfenis, niet heeft begrepen.

Immers, de man ís kennelijk uitleg verschaft, althans de man heeft (ook) getekend dat hij deze uitleg heeft verkregen van Z en kennelijk heeft begrepen.

Anders valt het plaatsen van zijn handtekening niet te verklaren.

Dat die uitleg niet door een notaris is verschaft, is niet van betekenis.

Het begrip ‘uitsluitingsclausule’ is niet zo ingewikkeld dat dit niet door een niet-notaris kan worden uitgelegd respectievelijk dat een gemiddelde burger dit na uitleg niet begrijpt.

Dat de man heeft verzocht om een nadere uitleg respectievelijk dat hij heeft verzocht om een deskundige te raadplegen alvorens te tekenen, is evenmin gesteld of gebleken.

Met die ondertekening, zonder hierop gedurende circa vijftien jaar tijdens het huwelijk terug te komen, heeft de man bij de vrouw redelijkerwijs doen postvatten de overtuiging en mocht de vrouw er redelijkerwijs op vertrouwen dat het alsnog opstellen van huwelijksvoorwaarden staande huwelijk niet vereist was.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een uitsluitingsclausule in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.