De Rechtbank Rotterdam heeft op 12 februari 2021 uitspraak gedaan over de vraag een nalatenschap alsnog beneficiair mocht worden aanvaard vanwege de onbekendheid met een schuld.
Op 19 januari 2018 is erflaatster overleden.
Erflaatster heeft geen testament opgemaakt en was ten tijde van haar overlijden ongehuwd en niet geregistreerd als partner.
Verzoeksters zijn de kinderen van erflaatster en haar enige erfgenamen.
Verzoeksters hebben de nalatenschap van erflaatster zuiver aanvaard.
Verzoeksters hebben primair verzocht hen op grond van artikel 4:194a lid 2 BW te ontheffen van hun verplichtingen de schuld uit hoofde van de vordering van belanghebbende op erflaatster – voor zover deze in rechte komt vast te staan – uit hun vermogen te voldoen voor zover deze niet uit hetgeen zij krachtens erfrecht uit de nalatenschap van erflaatster hebben verkregen, kan worden voldaan.
Subsidiair, voor zover ervan uit moet worden gegaan dat de nalatenschap van erflaatster nog niet is vereffend of verdeeld, hebben verzoeksters verzocht hen te machtigen de nalatenschap van erflaatster alsnog beneficiair te aanvaarden.
Verzoeksters hebben aan hun verzoek het volgende ten grondslag gelegd.
Zij zijn eerst op 29 juli 2020 bekend zijn geworden met de vordering van belanghebbende op erflaatster en dat hij deze (mogelijk) op hen wenst verhalen.
De schuld wordt betwist door verzoeksters, maar de schuld is – als de schuld wel komt vast te staan – naar hun mening wel een schuld als bedoeld in artikel 4:194a lid 2 BW.
De schuld is pas na de verdeling bekend geworden en zij behoorden deze niet te kennen.
Erfrecht. Nalatenschap. Verzoek om alsnog beneficiair te mogen aanvaarden vanwege een onbekende schuld van de nalatenschap.
De rechter oordeelt als volgt.
Verzoeksters hebben artikel 4:194a lid 2 BW aan hun primaire verzoek ten grondslag gelegd.
In dit artikel is bepaald dat wanneer een erfgenaam na vereffening of verdeling van de nalatenschap bekend wordt met een schuld, die hij niet kende en ook niet behoorde te kennen, de erfgenaam de kantonrechter kan verzoeken, binnen drie maanden na de ontdekking van de schuld, om te worden ontheven van zijn verplichting de schuld uit zijn vermogen te voldoen voor zover deze niet uit hetgeen hij krachtens erfrecht uit de nalatenschap heeft verkregen, kan worden voldaan.
Nu verzoeksters zich op het standpunt hebben gesteld dat de nalatenschap van erflaatster al verdeeld is in april 2020 en dit door belanghebbende niet is bestreden, hebben verzoeksters terecht artikel 4:194a lid 2 BW aan hun verzoek ten grondslag gelegd.
Partijen zijn het er ook over eens dat het verzoek tijdig is gedaan, namelijk binnen drie maanden nadat verzoeksters bekend werden met de schuld.
Voor een geslaagd beroep op artikel 4:194a lid 2 BW moet beoordeeld worden of verzoeksters bekend waren of bekend behoorden te zijn met de schuld van erflaatster op het moment dat zij zuiver aanvaardden.
De bescherming van dit artikel kan namelijk alleen worden ingeroepen voor een onverwachte schuld.
Uit het debat tussen partijen is de kantonrechter gebleken dat de schuld waarvan verzoeksters willen worden ontheven niet alleen ziet op de kosten van het levensonderhoud die belanghebbende voor erflaatster betaald heeft, maar ook op de kosten die belanghebbende aan de boot betaald heeft. Deze twee schulden zullen hieronder apart worden beoordeeld.
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat hij ongeveer vijftien jaar alle kosten van levensonderhoud van erflaatster op zich heeft genomen en dat dit een schuld is van de nalatenschap van erflaatster.
De kosten bedroegen volgens belanghebbende minimaal € 5.000,- per jaar.
Belanghebbende heeft deze schuld niet eerder bij verzoeksters ingediend, zodat zij hier nog niet mee bekend waren.
De kantonrechter is van oordeel dat verzoeksters ook niet bekend hoorden te zijn met deze schuld.
Belanghebbende en erflaatster hadden een affectieve relatie en leefden samen.
Uit niets blijkt echter dat na het overlijden van erflaatster zou worden afgerekend en verzoeksters hier rekening mee hadden moeten houden.
Daarbij weegt de kantonrechter ook mee dat uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat partijen goed met elkaar omgingen voor het overlijden van erflaatster en zij samen bij het overlijden van erflaatster zijn geweest.
Belanghebbende heeft destijds niet kenbaar gemaakt dat hij nog een vordering op de nalatenschap van erflaatster had, terwijl dat wel in de lijn der verwachting had gelegen.
Doordat belanghebbende destijds geen aanspraak heeft gemaakt op zijn gestelde vordering hoefden, verzoeksters er ook niet mee bekend te zijn dat dit nog een schuld van de nalatenschap was.
De kantonrechter is derhalve van oordeel dat de kosten van levensonderhoud die belanghebbende vordert van de nalatenschap van erflaatster een onverwachte schuld is.
Nu sprake is van een onverwachte schuld en gesteld noch gebleken is dat verzoeksters zich zodanig hebben gedragen dat belanghebbende erop mocht vertrouwen dat zij de schuld uit hun eigen vermogen zouden voldoen (tweede volzin van artikel 4:194a lid 2 BW), zal de kantonrechter het primaire verzoek van verzoeksters wat betreft de schuld voor de kosten van levensonderhoud van erflaatster (indien deze in rechte vast komt te staan) toewijzen.
Belanghebbende heeft een boot in zijn bezit waarvan verzoeksters stellen dat die voor de helft van erflaatster is.
Dit wordt door belanghebbende betwist, want hij is van mening dat hij alleen eigenaar is van de boot.
De vraag wie eigenaar is van de boot wordt in deze procedure echter niet beantwoord.
De kantonrechter begrijpt uit wat belanghebbende heeft aangevoerd dat hij van mening is dat hij een vordering heeft op erflaatster voor de kosten van de boot als (in een andere procedure) vast zou komen te staan dat hij en erflaatster gezamenlijk eigenaar waren van de boot en de boot voor de helft in de nalatenschap van erflaatster valt.
Deze kosten bedragen volgens belanghebbende € 71.044,54.
Partijen zijn het erover eens dat belanghebbende deze schuld niet eerder bij verzoeksters heeft ingediend, zodat zij hier nog niet mee bekend waren.
De kantonrechter is echter van oordeel dat verzoeksters deze schuld wel behoorden te kennen.
Verzoeksters wisten immers toen zij de nalatenschap zuiver aanvaardden van het bestaan van de boot af, want zij waren op de hoogte van het bestaan van de boot en over de boot is volgens hen ook op het sterfbed van erflaatster gesproken.
De boot behoorde volgens verzoeksters ook tot de nalatenschap van erflaatster.
Het is een feit van algemene bekendheid dat met het eigendom van een boot kosten gemoeid gaan, zoals onderhouds- en reparatiekosten, liggelden en verzekeringsgelden.
Gelet hierop hadden verzoeksters op de hoogte kunnen zijn van de kosten als zij daar onderzoek naar gedaan hadden.
Omdat zij dat niet gedaan hebben, komt dit voor hun rekening en risico.
Er is derhalve geen sprake van een onverwachte schuld.
Wat de schuld van de boot betreft wordt het verzoek dus afgewezen.
Overigens betekent wat hiervoor is overwogen niet dat de kantonrechter van oordeel is dat de gehele door belanghebbende gestelde schuld voor de boot ten bedrage van € 71.044,54 een schuld van de nalatenschap is.
Over de hoogte van de schuld gaat deze procedure ook niet.
De kantonrechter is nu alleen van oordeel dat als in rechte vast komt te staan dat belanghebbende en erflaatster beiden eigenaar waren van de boot en dat belanghebbende een schuld heeft op erflaatster voor de kosten van de boot, belanghebbende deze kosten op verzoeksters in privé kan verhalen als deze schuld meer bedraagt dan uit de nalatenschap voldaan kan worden.
Verzoeksters hebben subsidiair verzocht hen te machtigden om de nalatenschap van erflaatster alsnog beneficiair te aanvaarden.
Gelet op wat hiervoor is overwogen zijn partijen het er echter over eens dat de nalatenschap van erflaatster verdeeld is door verzoeksters, zodat zij niet op grond van artikel 4:194a lid 1 BW alsnog om beneficiaire aanvaarding kunnen verzoeken.
Het subsidiaire verzoek wordt derhalve afgewezen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over zuivere of beneficiaire aanvaarding van een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.