Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 14 september 2021 uitspraak gedaan over de uitleg van een legaat in een testament.

De vraag ligt voor wat het legaat aan appellante in het testament van de erflater precies omvat.

Tussen partijen is niet in geschil dat in ieder geval de eigendom van de roerende zaken van de rijwielhandel, zoals gereedschappen en onderdelen, aan appellante zijn gelegateerd.

Zoals de rechtbank heeft vastgesteld, spitst de discussie tussen partijen zich toe op de vraag of, en zo ja, welke, onroerende zaken de erflater heeft gelegateerd en in het bijzonder of de erflater heeft bedoeld de eigendom van de betreffende onroerende zaken aan appellante te legateren, dan wel een gebruiksrecht.

Het testament zal derhalve op dit punt moeten worden uitgelegd.

Erfrecht. Uitleg van een testament. Uitleg van een legaat. Onroerend goed. Bedrijfsruimte. Ondernemingsvermogen. Is sprake van eigendomsverkrijging of van een gebruiksrecht?

De rechter oordeelt als volgt.

Op grond van artikel 4:46 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet bij die uitleg worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil slechts dan voor uitlegging van een beschikking mogen worden gebruikt, indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft.

Dit betekent, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, dat eerst indien de bewoordingen van een testament – gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt – onduidelijk zijn doordat ze geen duidelijke zin hebben, de bedoeling van de erflater mag en moet worden achterhaald.

Uit het testament komt naar voren dat de erflater heeft willen regelen dat geïntimeerde verzorgd achterbleef en daarnaast dat appellante na zijn overlijden in staat werd gesteld de uitoefening van de rijwielhandel voort te zetten.

Daartoe heeft de erflater aan haar zijn eenmanszaak gelegateerd, waaronder mede begrepen de eigendom van alle tot het vermogen van die eenmanszaak behorende bestanddelen.

Welke bestanddelen daartoe precies behoren, is niet in het testament opgenomen of bepaald.

Ook is deze vraag niet door de juridische eigendomssituatie te beantwoorden, omdat een eenmanszaak geen afgescheiden vermogen heeft.

De onroerende zaken waarop appellante aanspraak maakt vallen in de (inmiddels ontbonden) huwelijksgoederengemeenschap van de erflater en geïntimeerde of behoren uitsluitend geïntimeerde in eigendom toe.

Volgens appellante behoren het winkelpand met ondergrond (zijnde de winkelruimte in de aanbouw aan de echtelijke woning), de uitbreiding van de winkel (de serre), het parkeerterrein voor het winkelpand, de fietsenopslag met ondergrond (zijnde de opslagruimte op het perceel, de bestrating en de houten afzetting en de verbouwingen, alle tot het vermogen van de eenmanszaak, omdat deze activa op de balans van de eenmanszaak staan vermeld en daarom ondernemingsvermogen zijn.

Blijkens de door appellante overgelegde financiële stukken van de eenmanszaak en brief van 11 januari 2019 van S, zijn de betreffende onroerende zaken inderdaad als materiële vaste activa in de balans van de eenmanszaak opgenomen en daarmee (boekhoudkundig) als ondernemingsvermogen aangemerkt, ook reeds ten tijde van het maken van de uiterste wilsbeschikking door de erflater.

Deze omstandigheid is echter onvoldoende voor het oordeel dat de onroerende zaken moeten worden begrepen onder de ‘tot het vermogen van de eenmanszaak behorende bestanddelen’ zoals in het legaat onder A bedoeld.

Geïntimeerde heeft niet, althans onvoldoende, weersproken aangevoerd dat de betreffende onroerende zaken slechts aan de rijwielhandel ter beschikking zijn gesteld en enkel vanwege fiscale redenen in de jaarstukken van de eenmanszaak zijn opgevoerd.

Het hof volgt geïntimeerde dan ook in deze argumentatie.

Dat de erflater in het kader van de jaarrekening 2011 heeft bevestigd dat ‘de onderneming eigenaresse van alle in de balans opgenomen activa’ is, doet daaraan niet af.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot de conclusie leiden dat deze bevestiging (ook) buiten het licht van de fiscale motieven bij het opstellen van de jaarrekening moet worden bezien.

Ook de omstandigheid dat voor de winkelruimte een aparte WOZ-beschikking wordt gegeven, leidt niet tot een ander oordeel, omdat deze, op naam van de erflater staande, beschikking op het gebruik van de winkelruimte betrekking heeft.

De omstandigheid voorts dat de erflater de bouwvergunning voor de winkelruimte aan de echtelijke woning heeft aangevraagd, kan appellante evenmin baten, reeds omdat uit de aanvraag niet blijkt in welke hoedanigheid de erflater dit heeft gedaan.

Ook de huurovereenkomst met betrekking tot de woning ondersteunt, anders dan appellante verder nog heeft gesteld, haar standpunt niet.

In deze huurovereenkomst is bepaald dat de huur uitsluitend het woonhuis met bijbehorende berging betreft, exclusief ‘het erf/de tuin en het zijpad met daarop gelegen een bedrijfsruimte’.

Zeker nu een toelichting ontbreekt, valt niet in te zien dat en op welke wijze uit deze huurovereenkomst volgt dat de door appellante gevorderde onroerende zaken tot het ondernemingsvermogen van de eenmanszaak behoren.

Dat over ‘bedrijfsruimte’ wordt gesproken brengt nog niet mee dat van eigendom van de eenmanszaak sprake is.

Daarnaast laat zich niet zonder meer rijmen waarom geïntimeerde als verhuurder en eigenaar van de betreffende percelen het gebruik van de opslagruimte en het zijpad zou uitsluiten indien dit niet haar eigendom is.

Voor het voorzetten van de rijwielhandel door appellante is de eigendom van het winkelpand, de ondergrond en de uitbreiding daarvan, het parkeerterrein, de fietsenopslag en ondergrond, de bestrating, de houten afzetting (zijnde de ontsluiting van de fietsenopslag) en de verbouwingen, niet noodzakelijk, te meer nu ten tijde van het maken van de uiterste wil door de erflater de verhouding tussen geïntimeerde en appellante (nog) niet was verstoord en een gebruiksrecht van voormelde onroerende zaken volstond.

Verder geldt dat, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, de feitelijke situatie ten tijde van het maken van de uiterste wilsbeschikking door de erflater een contra-indicatie vormt voor de juistheid van de stelling van appellante dat de erflater heeft bedoeld de eigendom van alle hiervoor genoemde onroerende zaken te legateren.

Zoals hiervoor reeds uiteen gezet, behoort het (perceel van) de echtelijke woning en het daarachter gelegen perceel tot de (door het overlijden van de erflater ontbonden) huwelijksgoederengemeenschap van de erflater en geïntimeerde (en daarmee voor de helft tot de nalatenschap van de erflater) en behoren de naastgelegen percelen, met daarop de woning en de opslagruimte met ontsluiting, uitsluitend toe aan geïntimeerde.

Weliswaar stelt appellante zich terecht op het standpunt dat ook niet tot de nalatenschap van een erflater behorende zaken kunnen worden gelegateerd, maar uit de uiterste wil zelf moet dan zijn af te leiden dat de erflater dit niettemin heeft gewild.

Appellante heeft haar stellingen op dit punt onvoldoende gemotiveerd onderbouwd.

De winkelruimte en de uitbreiding van de winkel (de serre) zijn aan de echtelijke woning gebouwd en maken, daar  evenals de bestrating voor de winkelruimte, goederenrechtelijk onderdeel van uit.

Dit brengt mee dat de gevorderde onroerende zaken niet zonder meer aan appellante kunnen worden geleverd.

Het legaat onder A noch de rest van het testament bevat echter bepalingen over het splitsen van het eigendom van de onroerende zaken.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat het splitsen van de onroerende zaken de erflater voor ogen heeft gestaan.

Voorts geldt dat de serre en de opslagruimte, zoals geïntimeerde niet, althans onvoldoende weersproken heeft aangevoerd, ook dan wel met name (voor wat betreft de serre) privé werden gebruikt.

Aldus bestaat op grond van de omstandigheden waaronder de uiterste wilsbeschikking is gemaakt, geen aanleiding om aan te nemen dat de erflater heeft beoogd de eigendom van de betreffende onroerende zaken te legateren.

Lezing van het overigens in het testament van de erflater bepaalde, duidt evenmin erop dat de erflater met het legaat onder A de eigendom heeft bedoeld te legateren van de onroerende zaken waarop appellante aanspraak maakt.

Zo worden in het legaat onder B, in het geval de erflater gelijk of na geïntimeerde komt te overlijden, de woningen en de achter deze woningen gelegen percelen met de zich daarop bevindende opstallen aan appellante gelegateerd.

Uit deze bepaling blijkt niet dat een onderscheid tussen de woning en de winkelruimte wordt gemaakt.

Wel wordt in dit legaat met zoveel woorden de zich op de achtergelegen percelen bevindende opstallen, en dus de opslagruimte, gelegateerd.

Hoewel aan appellante kan worden toegegeven dat in het testament onder ‘Ten tiende’ onder C wordt gesproken over ‘de registergoederen behorend tot het Ten negende sub A. bedoelde ondernemingsvermogen’, volgt uit deze – onduidelijk verwoorde – bepaling niet de door haar voorgestane uitleg van het legaat onder A.

Voormelde bepaling heeft naar het oordeel van het hof uitsluitend betrekking op de situatie dat de erflater ná geïntimeerde zou zijn overleden en het legaat onder B zou zijn ingetreden.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het blijkens het bepaalde in ‘Ten tiende sub B’ de wil was van de erflater dat de onroerende zaken alsdan zouden worden gewaardeerd tegen de onderhandse verkoopwaarde, zodat een bevoordeling zoals volgt uit het standpunt van appellante (namelijk onder vergoeding van de voortzettingswaarde van nihil) niet door de erflater is gewild.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot het oordeel leiden dat de betreffende onroerende zaken moeten worden begrepen onder de ‘tot het vermogen van de eenmanszaak behorende bestanddelen’ zoals in het legaat bedoeld.

De stellingen van appellante dat de erflater “daar altijd vanuit is gegaan” en “de zaken altijd heeft beschouwd als eigendommen van de fietsenwinkel”, zijn door geïntimeerde weersproken en vinden geen steun in de overgelegde stukken.

Gelet op al het voorgaande leidt uitleg van het legaat niet tot de conclusie dat de erflater de eigendom van de betreffende onroerende zaken aan appellante heeft gelegateerd.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of een legaat, of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.