Het Gerechtshof Den Haag heeft op 21 maart 2023 uitspraak gedaan over de vraag of er sprake was van misbruik van omstandigheden bij een schenking gedaan door een bejaarde erflaatster.

Op 26 juni 2020 is erflaatster overleden.

Erflaatster is nooit gehuwd geweest en had geen kinderen.

Erflaatster heeft in haar testament van 23 juni 2010 vijf erfgenamen benoemd, waaronder appellante, die tevens tot executeur is benoemd.

Geïntimeerden zijn niet tot erfgenaam benoemd.

Appellante heeft in de eerste drie grieven aan de orde gesteld dat de rechtbank ten onrechte de vordering met betrekking tot de door erflaatster aan geïntimeerden geschonken bedragen heeft afgewezen.

Het hof zal deze drie grieven gezamenlijk behandelen.

Kort weergegeven voert appellante in deze grieven het volgende aan:

  • De vordering van de executeur is gebaseerd op misbruik van omstandigheden en niet op een ontbrekende of onvoldoende wilsbekwaamheid van erflaatster;
  • Het gaat niet om de wils(on)bekwaamheid van erflaatster maar om de vraag of sprake was van misbruik van omstandigheden als bedoeld in artikel 3:44 Burgerlijk Wetboek (BW);
  • De positie van geïntimeerden, het voorzien in de behoefte aan zorg van erflaatster, had hen er van moeten weerhouden schenkingen van erflaatster te accepteren; tenminste had een notaris daarbij een oogje in het zeil moeten houden;
  • Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de executeur niet is geslaagd in haar stelplicht en bewijslast en ten onrechte oordeelt de rechtbank dat het betoog van de executeur zo onwaarschijnlijk is dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is om geïntimeerden te belasten met het bewijs dat geen sprake is van misbruik van omstandigheden;
  • Aan deze beslissing om naar de gewone bewijslastverdeling terug te keren moeten meer eisen worden gesteld dan de rechtbank in aanmerking neemt.

Geïntimeerden hebben de grieven gemotiveerd weersproken.

Zij betwisten misbruik van omstandigheden jegens erflaatster te hebben gemaakt.

Het hof zal daar hierna voor zover nodig op ingaan.

Erfrecht. Schenkingen door misbruik van omstandigheden gedaan? Bejaarde en afhankelijke vrouw. Stelplicht en bewijslast. Moet rekening en verantwoording worden afgelegd? Machtiging? Bankopnames.

De rechter oordeelt als volgt.

Het hof overweegt als volgt en stelt het volgende voorop. Artikel 3:44 lid 1 BW luidt:

“Een rechtshandeling is vernietigbaar, wanneer zij door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen.”

“Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden” (artikel 3:44 lid 4 BW).

Appellante voert weliswaar aan dat haar vordering is gebaseerd op misbruik van omstandigheden en niet op wilsonbekwaamheid, maar stelt onvoldoende feiten en omstandigheden om te kunnen oordelen, gelet op de hiervoor weergegeven formulering van artikel 3:44 lid 4 BW, dat sprake is geweest van misbruik van omstandigheden.

In de eerste grief voert appellante daarover niets aan.

In de toelichting op de tweede grief voert appellante wel aan dat de positie van erflaatster als ruim in de 80 jaren en zijnde verpleeghuispatiënt en deels afhankelijk van geïntimeerden, deze hadden moeten weerhouden om een schenking of schenkingen van erflaatster aan te nemen, maar een nadere onderbouwing, waarom die positie van erflaatster daartoe zou nopen, ontbreekt.

De omstandigheden, dat erflaatster op leeftijd was en zij in een verpleeghuis verbleef, zijn daartoe onvoldoende.

Deze zeggen immers niets over een noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand dan wel onervarenheid.

Geïntimeerden hebben betwist dat erflaatster in een van hen afhankelijke positie verkeerde en appellante heeft ook dit niet nader onderbouwd.

Daarmee heeft appellante niet voldaan aan haar stelplicht.

De rechtbank heeft dit terecht overwogen.

Wat appellante ter toelichting in haar tweede grief over door geïntimeerden aan de executeur ter hand gestelde stukken nog aanvoert, is niet relevant voor de beoordeling van deze grief, althans is niet toegelicht waarom dit wel relevant zou zijn.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat ook de derde grief van appellante zal worden gepasseerd.

De bewijslast: dat de schenkingen niet door misbruik van omstandigheden tot stand zijn gekomen, rust pas op geïntimeerden indien feiten zijn gesteld waaruit volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen.

Zoals hiervoor is overwogen is dat naar het oordeel van het hof niet het geval. Om die reden wordt niet toegekomen aan de in artikel 7:176 BW neergelegde bewijsregel.

Rekening en verantwoording?

De vierde en vijfde grief betreffen de vraag of de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat aan het afleggen van rekening en verantwoording niet wordt toegekomen.

Appellante voert daarover het volgende aan:

  • Omdat sprake is van misbruik van omstandigheden is er een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording door geïntimeerden;
  • Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat geïntimeerden de executeur tegemoet zijn gekomen door voorafgaand en na de mondelinge behandeling een toelichting te geven op de banktransacties voor zover zij nog over de administratie beschikten; geïntimeerden hebben een bedrag van € 26.699,39 aan de bankrekening van erflaatster onttrokken;
  • De rechter heeft de bonnetjes die geïntimeerden hebben laten zien, niet kunnen beoordelen.

Geïntimeerden hebben de grieven gemotiveerd bestreden. Het hof zal daarop hierna, waar nodig, ingaan.

Het hof is van oordeel dat beide grieven falen en licht dit als volgt toe.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis hieromtrent overwogen dat appellante niet heeft onderbouwd dat erflaatster na 16 februari 2016, de datum van ondertekening van de volmacht op de bankrekening, niet meer in staat was haar wil te bepalen, zodat er in beginsel van moet worden uitgegaan dat de door geïntimeerden verrichte transacties zijn gedaan met instemming van erflaatster.

Daartegen heeft appellante geen grief gericht.

Het hof heeft hiervoor overwogen dat misbruik van omstandigheden niet is komen vast te staan.

Appellante heeft immers niet voldaan aan haar stelplicht.

Daaruit kan dan ook niet een verplichting zijn ontstaan voor geïntimeerden om rekening en verantwoording af te leggen.

Dat erflaatster heeft bedongen dat geïntimeerden rekening en verantwoording zouden afleggen in verband met de machtiging van geïntimeerde op de bankrekening van erflaatster is gesteld noch gebleken.

Ook voor het overige heeft appellante niet dan wel onvoldoende gesteld om een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording op enige andere rechtsgrond aan te nemen.

Dat de rechter niet door geïntimeerden aan appellante overgelegde bonnetjes heeft kunnen beoordelen doet niet ter zake.

Dat zou hooguit relevant kunnen zijn, indien een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording door geïntimeerden zou bestaan, maar, zoals al is overwogen, die is er niet.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.