Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 26 oktober 2021 uitspraak gedaan over de maatstaf en toetsing van de gronden voor het instellen van curatele, bewind en mentorschap.

Op grond van artikel 1:378 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een meerderjarige door de rechter onder curatele worden gesteld wanneer hij tijdelijk of duurzaam zijn belangen niet behoorlijk waarneemt of zijn veiligheid of die van anderen in gevaar brengt, als gevolg van:

  1. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel
  2. gewoonte van drank- of drugsmisbruik,

en een voldoende behartiging van die belangen niet met een meer passende en minder verstrekkende voorziening kan worden bewerkstelligd.

Op grond van artikel 1:431 lid 1 BW kan de rechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van:

  1. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel
  2. verkwisting of het hebben van problematische schulden.

Het bewind kan op grond van het derde lid van dit artikel eveneens worden ingesteld indien te verwachten is dat rechthebbende binnen afzienbare tijd in de in het eerste lid bedoelde toestand zal verkeren.

Op grond van artikel 1:450 lid 1 BW kan de rechter ten behoeve van een meerderjarige een mentorschap instellen indien de meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen.

Het mentorschap kan op grond van het derde lid van dit artikel eveneens worden ingesteld, indien te verwachten is dat een meerderjarige binnen afzienbare tijd in de in het eerste lid bedoelde toestand zal verkeren.

Erfrecht. Personenrecht. Gronden voor curatele, bewind en mentorschap. Maatstaf. Toetsing. Bescherming en zelfredzaamheid. Dementie. Alzheimer.

Het hof oordeelt als volgt.

De maatregelen van curatele, bewind en mentorschap maken een inbreuk op het privéleven van een rechthebbende.

Deze maatregelen mogen niet verder ingrijpen dan noodzakelijk is en er moet waar mogelijk gekeken worden naar een minder vergaand alternatief.

Gezocht moeten worden naar een evenwicht tussen bescherming en het bevorderen van zelfredzaamheid van een rechthebbende en naar de minst vergaande maatregel.

Uit het dossier en ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de rechthebbende in 2016 is gediagnosticeerd met Alzheimer en dat zij daarna dagelijks hulp kreeg van Buurtzorg, onder andere bij de toediening van haar medicatie.

De rechthebbende is vanaf de diagnose een aantal keer per week naar een zorgboerderij gegaan.

Daar heeft zij haar partner leren kennen.

Inmiddels wordt de rechthebbende al geruime tijd door hem verzorgd.

Buurtzorg is niet meer in beeld en ook gaat de rechthebbende niet meer naar de zorgboerderij. Haar arts is hiervan op de hoogte.

Vanuit de bewindvoerder, die regelmatig contact heeft met de partner, bestaan op dit moment geen zorgen over de wijze waarop de rechthebbende door haar partner wordt verzorgd.

Ook heeft het hof bij de mondelinge behandeling van de rechthebbende zelf vernomen dat zij het heel goed heeft met haar partner.

De door de dochter geuite zorgen op het punt van de verzorging betreffen meer het feit dat zij moeilijk contact kan krijgen met haar moeder en dat de verhouding met de partner heel slecht is.

Wel is gebleken dat de rechthebbende al jarenlang hulp krijgt bij haar financiën, eerst van haar ex-echtgenoot en na diens overlijden van haar broer.

Ook is gebleken dat het direct opneembare spaargeld dat de rechthebbende bezat tot nul was gereduceerd door onder andere in de loop van enkele jaren met haar partner gezamenlijk twee opvolgende campers en auto’s aan te schaffen.

Voor de aanschaf van de tweede camper heeft de rechthebbende een persoonlijke lening van € 10.000,- afgesloten, nu er onvoldoende spaargeld was om haar aandeel in deze camper te betalen.

Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat er kort voor de mondelinge behandeling een deposito is vrijgevallen waardoor de rechthebbende thans weer over spaargeld beschikt.

De vraag is dan of een beschermingsmaatregel noodzakelijk is.

Het hof weegt zwaar mee dat buiten medeweten van de bewindvoerder een levenstestament is opgesteld door de rechthebbende waarin zij onder andere haar partner en een nichtje een volmacht heeft verleend met (deels) een financieel karakter.

Het lijkt onaannemelijk dat de notaris die het levenstestament heeft opgesteld, is ingelicht over de onderbewindstelling en de geconstateerde ziekte van Alzheimer van de rechthebbende.

De volmacht om bijvoorbeeld een persoonsgebonden budget aan te vragen kan in deze situatie immers niet verleend worden en wordt overruled door de bewindvoering.

De instelling van een beschermingsbewind heeft gevolgen voor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gevolmachtigde.

Die bevoegdheid reikt namelijk niet verder dan de zeggenschap van de rechthebbende zelf, terwijl die zeggenschap nu juist door het beschermingsbewind wordt beperkt.

Deze gang van zaken wekt ook de indruk dat de partner onvoldoende kan beoordelen wat de situatie waarin de rechthebbende zich bevindt meebrengt op juridisch vlak.

Een goede voorlichting van de notaris over de situatie van de rechthebbende was in haar belang geweest, ook omdat in het verleden tweemaal door een andere notaris geoordeeld is dat de rechthebbende wilsonbekwaam was.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de rechthebbende (nog altijd) niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van haar geestelijke toestand.

Gelet op het voorgaande acht het hof zich voldoende voorgelicht om te beslissen en zal het hof geen deskundigenonderzoek, zoals door de dochter aan de orde gesteld, gelasten.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat aan de wettelijke gronden voor het bewind is voldaan.

Het hof acht evenwel een nog verderstrekkende maatregel als curatele niet noodzakelijk.

De dochter vreest dat zonder curatele de rechthebbende onder invloed van haar partner een testament zal opmaken.

Een notaris zal zich daarbij evenwel moeten vergewissen of de rechthebbende op dat moment wilsbekwaam kan worden geacht.

Nu er verder geen aanwijzingen zijn dat de niet-vermogensrechtelijke belangen van de rechthebbende niet op een behoorlijke manier worden behartigd, is ook om die reden curatele niet noodzakelijk, evenmin als de minder verstrekkende maatregel van mentorschap.

De rechthebbende wordt verzorgd door haar partner en niet gebleken is dat dat niet behoorlijk gebeurt.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over curatele of bewind, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.