De Rechtbank Amsterdam heeft op 4 mei 2022 uitspraak gedaan over een vordering tot de uitbetaling van een erfdeel uit een ouderlijke boedelverdeling.
In 2008 is mevrouw erflaatster overleden.
Erflaatster was gehuwd met erflater.
Uit dit huwelijk zijn eisers] geboren.
Erflaatster heeft bij testament van 24 september 1991 beschikt over haar nalatenschap en heeft daarin eisers en erflater tezamen benoemd tot haar erfgenamen, ieder voor een gelijk gedeelte en met toepassing van de zogenaamde ouderlijke boedelverdeling als bedoeld in artikel 1167 boek 3 (oud) van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Door de ouderlijke boedelverdeling zijn alle goederen van de nalatenschap van erflaatster toegevallen aan erflater en is aan eisers ieder een vordering op erflater toebedeeld ter grootte van hun erfdeel in de nalatenschap van erflaatster.
De vorderingen van eisers zijn opeisbaar bij overlijden van erflater.
Erfrecht. Ouderlijke boedelverdeling. Kinderen vorderen van stiefmoeder uitbetaling van moederlijk erfdeel als schuldeisers in de nalatenschap van de vader. Erfbelasting. Rente. Buitengerechtelijke incassokosten.
De rechter oordeelt als volgt.
Eiseressen stellen dat hun vorderingen tot uitbetaling van hun moederlijk erfdeel op grond van het testament van erflaatster en de ouderlijke boedelverdeling met het overlijden van erflater op 16 december 2017 opeisbaar zijn geworden.
De vorderingen die zij op erflater hadden zijn een schuld die niet met de dood teniet gaat.
Dit volgt uit artikel 4:7 sub a BW.
Voornoemde schuld van de nalatenschap gaat ingevolge artikel 4:7 lid 2 onder 3 BW in rang boven de schulden genoemd onder d-i van dat artikel, nu er géén sprake is van ‘andere wettelijke rechten’.
Omdat de executeur als taak heeft de schulden van de nalatenschap die tijdens het beheer opeisbaar zijn te voldoen, moet de executeur overeenkomstig artikel 4:144 lid 1 BW de vorderingen van eiseressen voldoen, aldus eiseressen.
Gedaagde hebben steeds erkend dat eisers vorderingen hebben ter zake van hun moederlijk erfdeel, maar hebben zich (aanvankelijk) op het standpunt gesteld dat zij nog niet tot uitbetaling over konden gaan.
Daarnaast hebben zij de hoogte van de vordering betwist.
Volgens hen kon de aanslag erfbelasting uit 2008 niet als onderbouwing van de waarde van de nalatenschap van erflaatster dienen.
Ter zitting heeft gedaagde er verder nog op gewezen dat erflater een bedrag van € 2.819,- aan erfbelasting voor de nalatenschap van erflaatster voor eisers heeft betaald, welk bedrag volgens haar van hun vorderingen moest worden afgetrokken.
Ter zitting zijn gedaagde en eiseressen het er vervolgens over eens geworden dat de vordering van eisers voor ieder € 54.394,- bedraagt.
Dat deze vorderingen, nu met de Belastingdienst overeenstemming is bereikt over het verzwegen vermogen in Italië, opeisbaar zijn is niet langer betwist.
Vaststaat dat de baten van de nalatenschap ruimschoots voldoende zijn om de schulden van de nalatenschap te voldoen, zodat ook tot uitbetaling kan worden overgegaan.
De rechtbank zal gedaagde dan ook veroordelen tot betaling van dit bedrag aan eisers.
Deze aan hen te betalen bedragen zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van overlijden van erflater, zijnde 16 december 2017.
Dat op grond van de redelijkheid en billijkheid geen rente verschuldigd zou zijn, althans niet vanaf die datum, kan niet worden gevolgd.
Het enkele feit dat de executeurs meenden dat zij in verband met het beroep op de inkeerregeling niet eerder tot uitbetaling aan eiseressen konden overgaan, betekent niet dat de verplichting tot het betalen van rente is komen te vervallen.
Eiseressen vorderen daarnaast een bedrag dat is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
De onderhavige vordering heeft echter geen betrekking op één van de situaties waarin genoemd besluit van toepassing is.
De rechtbank zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal worden afgewezen.
Uit de door eiseressen gegeven omschrijving van de verrichte werkzaamheden blijkt niet dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.
De kosten waarvan eiseressen vergoeding vorderen, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een ouderlijke boedelverdeling, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.