Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 16 maart 2021 uitspraak gedaan over de vraag of het aandeel van een erfgenaam was verbeurd vanwege het verzwijgen van een banktegoed dat toebehoorde aan de nalatenschap.

Verzoekster heeft op 4 februari 2014 op de griffie van de rechtbank verklaard dat zij de nalatenschap van haar echtgenoot – de broer van erflater – beneficiair aanvaardt.

Zij is haar echtgenoot als zijn enig erfgename opgevolgd als deelgenoot in de nalatenschap van erflater.

De vordering van de nicht en de neven komt in feite erop neer dat voor recht wordt verklaard dat de broer van erflater zijn aandeel in het genoemde goed van diens nalatenschap heeft verbeurd.

Omdat de broer van erflater is overleden hebben de nicht en de neven zijn enig erfgename verzoekster in persoon gedagvaard.

Verzoekster vindt dat zij niet in persoon, maar als vereffenaar van de nalatenschap van haar echtgenoot had moeten worden gedagvaard omdat diens nalatenschap wettelijk moet worden vereffend.

De nicht en de neven zijn volgens haar daarom niet-ontvankelijk in hun vorderingen.

De nicht en de neven zeggen dat niet klopt dat verzoekster (nog) vereffenaar is of is geweest.

Zij noemen daarvoor verschillende redenen.

Een daarvan is dat er geen wettelijke vereffening is geweest, omdat de echtgenoot van verzoekster in zijn testament een executeur heeft benoemd die de nalatenschap ook al heeft afgewikkeld.

Het hof gaat daarom ervan uit dat niet vaststaat dat verzoekster vereffenaar is geweest of nog steeds is en dat ook niet vaststaat dat de nalatenschap van de echtgenoot van verzoekster wettelijk moet worden vereffend.

De nicht en de neven hebben weersproken wat verzoekster zegt en hebben dat ook toegelicht.

Verzoekster heeft niet aangeboden te bewijzen dat zij nog steeds vereffenaar is.

De grief van verzoekster faalt.

Verzoekster zegt dat zij niet betrokken is geweest bij het beheer over of het ophalen van de gelden van erflater in G.

Volgens haar zijn de verklaringen van E over haar betrokkenheid niet juist.

Of dat klopt kan volgens het hof in het midden blijven.

Het gaat erom dat de broer van erflater als deelgenoot in diens nalatenschap opzettelijk heeft verzwegen dat het banktegoed tot diens nalatenschap behoorde.

Dat is het geval.

Verzoekster bestrijdt niet duidelijk wat de nicht en de neven daarover zeggen.

Ze ontkent alleen dat zij daar zelf een rol in heeft gehad.

Erfrecht. Onttrekking van gelden uit de nalatenschap. Verzwijgen van een banktegoed. Verbeuren van aandeel in nalatenschap. Bewijs. Beneficiaire aanvaarding.

De rechter oordeelt als volgt.

De rechtbank heeft eerder geoordeeld:

Geen van drieën heeft melding gemaakt van die geldbedragen aan mr H, de boedelnotaris hetgeen ook blijkt uit diens brief van 17 september 2012: “banksaldo van ongeveer € 50.000 tot € 60 000,-“ Ook uit het voorstel dat D en E aan de andere erfgenamen hebben gedaan in april 2013 blijkt dat de hier aan de orde zijnde “gelden uit Duitsland” werden verzwegen. In dat voorstel werd immers uitgegaan van spaargelden tot een bedrag van slechts € 84.653,-. Eisers zijn op dat voorstel niet ingegaan en hebben bij herhaling verzocht om meer informatie over de omvang van de boedel.”

Het hof is het met dat oordeel eens.

Notaris H heeft opdracht van de broer en zus van erflater gehad om een verklaring van erfrecht op te stellen.

Zij heeft op 17 september 2012 een uitgebreide brief aan de nicht en de neven gestuurd.

Zij schrijft dat de broer van erflater graag de nalatenschap van erflater zou willen afwikkelen namens de erfgenamen en daarvoor graag een volmacht van hen zou krijgen.

Namens de broer en zus van erflater laat notaris H de nicht en de neven het volgende weten:

Uw oom en tante hebben mij te kennen gegeven dat de nalatenschap een positief saldo kent. Tot de nalatenschap behoort volgens uw oom het huis en een banksaldo van ongeveer €50.000,= tot €60.000,=.

Daarnaast adviseer ik u contact op te nemen met uw oom omtrent de reeds tijdens het leven van uw overleden oom ingezette verkoop van de woning.

Uw oom investeert thans fors uit eigen middelen in dit huis teneinde het voor verhuur geschikt te maken en voor latere verkoop. Hierover moeten denk ik tussen u en uw oom goede afspraken worden gemaakt, waarbij toedeling van het huis aan uw oom ook zeker een optie is.

Het is goed om u te realiseren dat de waarde van de nalatenschap vooral vastzit in de woning. Nu deze voor langere tijd wordt verhuurd kan de woning niet op korte termijn worden “verzilverd”.

Dit zou een probleem kunnen geven met de af te dragen erfbelasting (u valt in de 2e tariefgroep, dit houdt in dat u een vrijstelling hebt van € 2.012,00, dat u over de eerste€ 118.708,00 30% belasting moet afdragen en over het meerdere 40%). Er zijn gelukkig wel uitstelmogelijkheden bij de belastingdienst (deze zijn wel rentedragend)”.

Vervolgens schrijft mr. A op 9 april 2013 namens de broer en de zus van erflater een brief aan de nicht en de neven en doet namens de broer en de zus een voorstel tot afwikkeling.

Hij schrijft:

Op 5 juli 2012 is uw oom overleden. Tot de nalatenschap behoort zijn woning te A. Voorts waren er nog spaargelden tot een bedrag van € 84.653,00 en overige bezittingen voor een bedrag van € 1.615,00. De kosten van de uitvaart bedroegen € 6.145,00. ”

Toen de broer van erflater de opgave aan de notaris deed en toen hij het voorstel aan de nicht en de neven deed had hij moeten spreken over de ‘gelden in Duitsland’.

Hij heeft op dat moment ervoor gekozen te zwijgen.

Hij heeft op dat moment ook niet kenbaar gemaakt dat erflater deze rekening had en welke opnames daarvan waren gedaan.

Door in de wetenschap dat de “gelden in Duitsland” tot de nalatenschap behoorden te zwijgen toen spreken geboden was heeft hij zijn aandeel in deze ‘gelden in Duitsland” al op 17 september 2012, maar in elk geval in april 2013 verbeurd.

Gedragingen van verzoekster voor en na zijn overlijden kunnen dat niet anders maken.

Of verzoekster de nalatenschap van haar echtgenoot ondanks de verklaring van beneficiaire aanvaarding al eerder zuiver had aanvaard of niet kan in het midden blijven.

In beide gevallen blijft staan dat haar echtgenoot zijn aandeel in de nalatenschap van erflater heeft verbeurd.

De wijze van aanvaarding is daarvoor niet relevant.

Heeft verzoekster de bescherming van de beneficiaire aanvaarding verspeeld?

De rechtbank heeft eerder geoordeeld:

“Voor het geval toch sprake mocht zijn geweest van een (tijdige en juridische juiste) beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap van D, heeft verzoekster de bescherming daarvan verspeeld door ten nadele van de overige erfgenamen in de nalatenschap van erflater te handelen gelijk zij samen met D en verzoekster heeft gedaan. De redelijkheid en billijkheid die de relatie tussen gerechtigden tot een onverdeeldheid beheerst staat er aan in de weg dat verzoekster zich in dit kader nog kan beroepen op bescherming op basis van beneficiaire aanvaarding.”

Het is voor deze procedure niet van belang of verzoekster de bescherming van de beneficiaire aanvaarding heeft verspeeld of niet en of de nicht en de neven zich kunnen verhalen op haar eigen vermogen.

Het gaat in deze procedure in principaal hoger beroep om de vraag of de broer van erflater zijn aandeel in het banktegoed heeft verbeurd.

Voor dat oordeel is niet van belang of verhaal mogelijk is op het eigen vermogen van verzoekster.

De nicht en de neven hebben de rechtbank en het hof ook niet gevraagd daarover te beslissen.

De grief kan niet leiden tot het ongedaan maken van de beslissing van de rechtbank.

Verzoekster is de enige erfgename van haar echtgenoot.

Doordat deze zijn aandeel in het goed heeft verbeurd, behoort dit goed niet langer tot de nalatenschap van erflater, maar behoort het toe aan de nicht en de neven samen.

Ook E heeft immers haar aandeel in dat goed verbeurd, en behoort het aandeel in dat goed ook niet tot de nalatenschap van de echtgenoot van verzoekster.

Verzoekster heeft als erfgename dan ook geen aandeel in dat goed verkregen.

Zij kan dan ook zelf niets meer verbeuren; dat heeft haar echtgenoot al bij leven gedaan.

Of verzoekster zoals de rechtbank het zegt ‘belast’ is met het bij haar echtgenoot aanwezige opzet is een manier van zeggen.

De rechtbank bedoelt kennelijk dat verzoekster de gevolgen ervan ondervindt dat haar echtgenoot het goed opzettelijk heeft verzwegen.

Dat heeft immers tot gevolg dat zij zijn aandeel in dat goed niet in zijn nalatenschap aantreft.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de verbeurdverklaring van een aandeel in een nalatenschap wegens onttrekking of verzwijging van vermogensbestanddelen uit een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.