Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft onlangs uitspraak gedaan over een verzoek tot de opheffing van een conservatoir beslag op een nalatenschap ter verhaal van een erfrechtelijk vorderingsrecht.
Op 20 maart 2020 heeft erflater zijn (laatste) testament gemaakt.
In dat testament zijn tot erfgenamen benoemd appellante, appellant en kind 1.
Appellante is erfgenaam voor 1% en appellant en kind 1 zijn samen erfgenaam voor 99%.
Geïntimeerden zijn in het testament onterfd.
Appellant en appellante zijn tevens benoemd als executeurs, een benoeming die zij hebben aanvaard.
De nalatenschap is door de erfgenamen beneficiair aanvaard.
In het testament heeft erflater een aantal legaten gemaakt.
Appellanten hebben in de kern als hun belang bij opheffing van het beslag aangevoerd dat het beslag appellante belemmert in de uitoefening van haar bevoegdheden uit het legaat en daarmee inbreuk maakt op de wens van erflater om haar een ongestoord voortleven te verschaffen.
Appellante wil de woning verkopen om een nieuwe start te kunnen maken.
De woning staat daarom te koop, maar het beslag bemoeilijkt die verkoop en heeft ook een prijsdrukkend effect.
Appellante ondervindt daarmee daadwerkelijk nadeel van het beslag, terwijl dat beslag is gelegd voor een vordering die niet opeisbaar is en ook niet binnen een afzienbare termijn opeisbaar zal worden.
Geïntimeerden hebben die belangen van appellante bij opheffing van het beslag op zichzelf niet gemotiveerd betwist, maar hebben daartegenover gesteld dat bij opheffing van het beslag het verhaal van hun legitimaire vorderingen illusoir wordt.
Zij hebben in dat verband aangevoerd dat het testament zo uitgelegd lijkt te moeten worden dat die legaten alleen een schuld vormen van appellante.
Doordat appellante de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard zal het voor geïntimeerden niet mogelijk zijn om zich in geval van een tekort van het erfdeel van appellante te verhalen op haar eigen vermogen.
Dat het erfdeel van appellante te kort zal schieten om de legitimaire legaten te voldoen staat nu al wel vast, omdat zij voor maar 1% erfgenaam is, terwijl de aanspraken van geïntimeerden op grond van de legaten c.s. 2/10 van de nalatenschap bedragen.
Door in die wetenschap de nalatenschap beneficiair te aanvaarden maakt appellante misbruik van die bevoegdheid ten nadele van geïntimeerden.
Zij voldoet daarmee tevens niet aan de haar in het testament opgelegde last om de legitimaire legaten van geïntimeerden uit haar erfdeel te voldoen.
Dat levert grond op om op de voet van artikel 4:131 BW haar erfdeel vervallen te laten verklaren.
Die vervallen verklaring vormt vervolgens grond om ook de bepaling dat de legitimaire legaten pas opeisbaar zullen worden bij overlijden van appellante, te laten vervallen.
Geïntimeerden komen daarmee ook een opeisbare vordering toe.
In die situatie dient het belang van geïntimeerden bij handhaving van het beslag zwaarder te wegen dan het belang van appellante bij opheffing daarvan.
Erfrecht. Kort geding. Conservatoir beslag op nalatenschap. Schuld. Legitieme. Last in testament. Legaat. Opheffing conservatoir beslag. Opeisbaarheid. Verhaal. Toetsing.
De rechter oordeelt als volgt.
Algemeen toetsingskader
Een conservatoir beslag strekt er naar zijn aard toe om te waarborgen dat voor een vooralsnog niet vaststaande vordering verhaal mogelijk zal zijn ingeval de vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen.
In het verlengde daarvan ligt dat een conservatoir beslag tevens bestemd is om over te gaan in een executoriaal beslag.
Daarvoor dient in de bodemzaak een vordering ingesteld te worden die ertoe strekt dat een executoriale titel wordt verkregen voor de vordering waarvoor het beslag is gelegd.
Op grond van het bepaalde in artikel 705 lid 2 Rv dient het beslag onder meer te worden opgeheven indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht.
Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van de beslagene (appellanten) om, met inachtneming van de beperkingen van de kort gedingprocedure, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger (geïntimeerden) gepretendeerde vordering ondeugdelijk is.
Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen.
Het in het kader van een zodanige afweging gegeven oordeel over de vraag of de vordering waarvoor beslag is gelegd deugdelijk of ondeugdelijk is, is niet meer dan een voorlopig oordeel en voor de motivering ervan gelden dan ook minder strenge eisen dan moeten worden gesteld aan de motivering van de beslissing in de bodemprocedure.
Partijen zijn het erover eens dat de vorderingen van geïntimeerden uit de legitimaire legaten op grond van het testament nog niet opeisbaar zijn.
Dat betekent echter niet dat reeds daarom het beslag opgeheven dient te worden.
Conservatoir beslag voor een niet opeisbare vordering is op zichzelf namelijk niet onmogelijk.
Het hof ziet zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, niet in dat door de beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap sprake is van het niet voldoen door appellante aan een testamentaire last.
Artikel 4:130 lid 1 BW bepaalt immers dat een testamentaire last een verplichting betreft die niet bestaat in de uitvoering van een legaat.
Aan appellante is een dergelijke last niet opgelegd; haar verplichting is juist het uitvoeren van een legaat.
Vooralsnog lijkt derhalve geen grond te bestaan voor het in de bodemprocedure vervallen laten verklaren van het erfdeel van appellante.
Dat betekent dat er bij de belangenafweging vanuit gegaan dient te worden dat het conservatoire beslag is gelegd voor een niet opeisbare vordering, die naar redelijke verwachting voorlopig ook niet opeisbaar zal worden; appellante is pas 61 jaar oud.
Het testament legt aan appellante geen beperkingen op in de uitoefening van haar aanspraken als erfgenaam en legataris en beoogt derhalve haar de vrije beschikking te geven over haar verkrijgingen/erfdeel.
Conservatoire beslaglegging ten laste van aanspraken van appellante om niet opeisbare testamentaire aanspraken te verzekeren verdraagt zich daar in beginsel niet mee.
Dat zou anders kunnen zijn indien appellante van haar vrijheid misbruik zou maken met het oogmerk om de testamentaire belangen van geïntimeerden te schaden.
Zoals hiervoor is overwogen ziet het hof niet in dat appellante zich schuldig heeft gemaakt aan dergelijk misbruik door gebruik te hebben gemaakt van haar bevoegdheid om de nalatenschap beneficiair te aanvaarden.
Als daardoor de aanspraken van geïntimeerden uit de legitimaire legaten inderdaad illusoir zouden worden, zoals zij vrezen, is dat niet het gevolg van de beneficiaire aanvaarding door appellante, maar vloeit dat voort uit de wijze waarop erflater zijn testament heeft ingericht.
Dat kan appellante in beginsel niet worden aangerekend.
Bijzondere omstandigheden dat tot een ander oordeel aanleiding zouden moeten geven hebben geïntimeerden niet aangevoerd.
Geïntimeerden hebben ook geen andere gronden aangevoerd waaruit het gestelde misbruik zou voortvloeien.
Geïntimeerden hebben bovendien ook onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat verhaal van hun legitimaire legaten op appellante uit haar aandeel in de nalatenschap inderdaad illusoir zal zijn bij opheffing van het beslag.
Zoals aan de orde is geweest tijdens de mondelinge behandeling is in het testament bepaald dat appellante haar schuld aan geïntimeerden moet voldoen uit haar “verkrijgingen/erfdeel”.
Dat lijkt erop te duiden dat geïntimeerden zich voor hun legaten ook kunnen verhalen op wat appellante nog aan legaten uit de nalatenschap verkrijgt (waaronder de onroerende zaak te A.
Dat ook dan geïntimeerden onvoldoende verhaal zullen hebben is niet aannemelijk gemaakt.
Daarbij wijst het hof er nog op dat de bepaling in het testament over de schuld die appellante voor haar eigen rekening moet nemen wellicht moet worden bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 4:87 lid 5 BW.
Tijdens de mondelinge behandeling is aan de orde geweest dat het testament mogelijk zo uitgelegd dient te worden dat het (mede) een voorziening inhoudt analoog aan de bepaling van artikel 4:87 lid 5 BW.
In dat geval zou de beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap door appellante niet verhinderen dat zij (opeisbaar na haar overlijden) met haar eigen vermogen aansprakelijk blijft voor de voldoening van haar schuld uit de legitimaire legaten aan geïntimeerden indien haar verkrijgingen/erfdeel daarvoor ontoereikend zouden blijken te zijn.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.