Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft onlangs uitspraak gedaan over het toepasselijke recht op een geldleningsovereenkomst in het Nederlandse IPR.
De rechtbank heeft in eerste instantie het geschil beoordeeld naar Nederlands recht.
Volgens de rechtbank is op de materiële rechtsverhouding Nederlands recht van toepassing, nu bij gebreke van een rechtskeuze de gestelde geldleningsovereenkomst tussen geïntimeerde en erflater het nauwst is verbonden met Nederland.
Datzelfde oordeelt de rechtbank over vordering II.
Hiertegen komt appellante op met grief I in het principaal beroep.
Naar de mening van appellante is op beide vorderingen Frans recht van toepassing als het recht van de gewone verblijfplaats van geïntimeerde en erflater.
Van een kennelijk nauwere band met Nederland is, anders dan de rechtbank heeft beslist, geen sprake.
Erfrecht. IPR. Rome I. Overeenkomstenrecht. Kenmerkende prestatie. Gewone verblijfplaats. Geldlening. Toepasselijk recht. Nauwere band. Nationaliteit. Toetsing.
De rechter oordeelt als volgt.
Op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 2 van Verordening 593/2008 (hierna: Rome I) geldt dat beide overeenkomsten worden beheerst door het recht van het land waar degene die de voor die overeenkomst kenmerkende prestatie moet verrichten haar gewone verblijfplaats heeft.
De kenmerkende prestant bij een geldleningsovereenkomst is degene die het geld uitleent.
In dit geval is dat geïntimeerde, die haar gewone verblijfplaats ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst (oktober 2020) in Frankrijk had.
Deze overeenkomst is echter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, kennelijk nauwer verbonden met Nederland.
Dit volgt onder meer uit het feit dat zowel geïntimeerde als erflater de Nederlandse nationaliteit hadden/hebben, de overeenkomst in het Nederlands is opgesteld, de terugbetaling van het uitgeleende geld op een Nederlandse bankrekening diende te geschieden en de onderliggende betalingen, waarop de hoofdsom van de lening is gebaseerd, grotendeels plaatsvonden via Nederlandse bankrekeningen.
Daar komt bij dat op de nalatenschap Nederlands recht van toepassing is verklaard.
Deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, duiden op een kennelijk nauwere band (in de zin van het bepaalde in artikel 4 lid 3 Rome I) met Nederland dan met Frankrijk.
Dit betekent dat de beoordeling van vordering I naar Nederlands recht dient plaats te vinden.
Ten aanzien van vordering II, die geïntimeerde baseert op de e-mail van appellante van 2 maart 2021, geldt dat de kenmerkende prestant appellante is, als degene die de gestelde toezegging heeft gedaan dat geïntimeerde tot oktober 2022 in de molen mag blijven wonen, dan wel dat geïntimeerde een vergoeding krijgt van maximaal € 800,- per maand voor iedere maand waarin zij de molen eerder dient te verlaten.
Op grond van artikel 4 lid 2 Rome I is Nederland als land waar appellante haar gewone verblijfplaats heeft, bepalend en is aldus ook op vordering II Nederlands recht van toepassing.
De grief faalt.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.