De Rechtbank Rotterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of een bewindvoerder tot uitkering van een erfdeel kon overgaan.

Op 13 december 2002 is overleden de erflater.

Erflater is in gemeenschap van goederen gehuwd geweest met A.

Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, B en C.

B is op 9 oktober 2001 overleden, zonder achterlating van nakomelingen.

Erflater heeft bij testament van 13 mei 1993 zijn echtgenote A (hierna: moeder) benoemd tot zijn enige erfgenaam, onder de last om aan zijn wettelijke erfgenamen, in dit geval zijn dochter C, een bedrag, zodanig groot dat overeenkomt met de waarde van het erfdeel bij versterf, renteloos schuldig te erkennen.

De vordering die de dochter op moeder door het overlijden van erflater heeft verkregen bedraagt € 11.468,-.

Dit bedrag is pas opeisbaar bij overlijden van moeder, of bij andere in het testament genoemde omstandigheden zoals:

“dan wel indien mijn echtgenote door volledige uitbetaling van de hoofdsom een verlaagde eigen bijdrage verschuldigd zou worden als bedoeld in de Wet op de Bejaardenoorden”.

Moeder is op 1 april 2022 in een zorginstelling opgenomen en zij is op 12 oktober 2022 onder bewind gesteld

Erfrecht. Bewind. Verzoek van bewindvoerder om tot uitkering van het erfdeel over te gaan. Vordering opeisbaar? Opname in een zorginstelling. Levensonderhoud.

De rechter oordeelt als volgt.

Verzoekster vraagt om haar als bewindvoerster, op grond van artikel 1:441 lid 2 BW, toestemming te verlenen om tot uitkering van de vordering uit hoofde van de nalatenschap van erflater uit het vermogen van moeder aan dochter over te gaan.

Aan het verzoek heeft verzoekster ten grondslag gelegd dat op grond van het testament gesteld zou kunnen worden dat er nu sprake is van een opeisingsgrond aangezien moeder is opgenomen in een zorginstelling waarvoor een eigen bijdrage is verschuldigd.

De bewindvoerder is daarnaast van mening dat moeder ruim voldoende vermogen heeft, ook na uitkering van het erfdeel aan dochter, om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien.

Gelet op de gestelde feiten en omstandigheden is voldoende komen vast te staan dat sprake is van een opeisingsgrond, weliswaar niet meer op basis van de Wet op de Bejaardenoorden, maar op grond van de huidige regelgeving.

Voldoende is ook komen vast te staan dat moeder, gezien haar huidige leefsituatie in een zorginstelling, ook na de uitkering van het bedrag van € 11.468,- aan dochter, ruim voldoende vermogen heeft om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien.

Het verzoek wordt daarom toegewezen.

De kantonrechter verleent verzoekster toestemming om, uit hoofde van de nalatenschap van erflater, tot uitkering van het bedrag van € 11.468,- uit het vermogen van A aan C over te gaan;

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.