Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 12 mei 2022 uitspraak gedaan over de doorbreking van het rechtsmiddelenverbod bij de benoeming van een vereffenaar.

In 2019 is erflaatster overleden.

Zij was de moeder van appellant en verweerder.

Volgens het testament van 27 november 2008 van erflaatster zijn appellant en verweerder de erfgenamen.

In het testament is appellant benoemd als executeur.

Blijkens de ‘verklaring aanvaarding executele’ van 26 februari 2019 heeft appellant de benoeming tot executeur aanvaard.

Appellant en verweerder hebben de nalatenschap van erflaatster beneficiair aanvaard.

Op 20 januari 2020 heeft verweerder de rechtbank verzocht een vereffenaar te benoemen 

Erfrecht. Benoeming van een vereffenaar. Ruimschoots voldoende verklaring van de executeur. Rechtsmiddelenverbod. Doorbreking van het rechtsmiddelenverbod? Vereisten beroepschrift.

De rechter oordeelt als volgt.

Voordat het hof het hoger beroep eventueel inhoudelijk zal kunnen beoordelen, dient het hof allereerst de vraag of appellant ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep te beantwoorden.

Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend en licht dit toe.

Ingevolge artikel 676a onder q Rv staat tegen een beschikking krachtens artikel 4:202 lid 1 onder a BW geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.

Dit rechtsmiddelenverbod kan echter worden doorbroken in het geval dat de rechter bij de behandeling van de zaak buiten het toepassingsgebied van artikel 4:202 lid 1 onder a BW is getreden, het artikel ten onrechte heeft toegepast dan wel buiten toepassing heeft gelaten of bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak.

Zie HR 29 maart 1985, HR:1985:AG4689, NJ 1986, 242 (Enka/Dupont), HR 1 april 2011, HR:2011:BP2312, NJ 2011, 220, HR 22 juni 2018, HR:2018:972, NJ 2018, 429 (Bethanie/Rabobank) en HR 5 juli 2019, HR:2019:1085, NJ 2019, 423.

Zie ook Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2018/24.

Om te kunnen worden ontvangen in zijn hoger beroep dient appellant een doorbrekingsgrond te stellen.

Zie Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2018/26.

Naar het oordeel van het hof heeft appellant de doorbrekingsgrond echter te laat gesteld.

Eerst na de brief van het hof van 7 april 2022 – waarin partijen werden bericht dat het hof tijdens de mondelinge behandeling aandacht zal besteden aan de ontvankelijkheid van het beroep als zodanig – en de – zij het in beginsel niet toegestane – aanvulling op het verweerschrift in hoger beroep met de verwijzing naar artikel 676a sub q Rv, is pas ter zitting namens appellant gesteld dat met de bestreden beschikking de rechter buiten het toepassingsgebied is getreden van artikel 4:201 lid 1 onder a BW.

Daarbij is vooropgesteld dat de doorbrekingsgrond – als hiervoor omschreven – in de grief van het beroepschrift valt te lezen.

Hierin staat:

“(…) Ten onrechte heeft de kantonrechter in r.ov. 4.4 van de bestreden beschikking overwogen gelijk zij daar heeft gedaan en in het dictum van de bestreden beschikking beslist zoals daar is gedaan. (…)

Wanneer grief 1 gegrond wordt bevonden, dan volgt daaruit dat ook r.ov. 4.4 en het dictum van de bestreden beschikking niet in stand kunnen blijven. De bestreden beschikking dient dan ook te worden vernietigd en het verzoek van [verweerder] zoals geformuleerd in eerste aanleg dient alsnog te worden afgewezen.”

Het hof merkt daarover het volgende op.

Een beroepschrift moet voldoen aan de vereisten zoals vermeld in artikel 359 jo. 278 Rv en moet een duidelijke omschrijving van het verzoek – welke beslissing van de appelrechter wordt verlangd – en de gronden – de grieven – waarop het berust bevatten.

Het ontbreken van gronden in het beroepschrift leidt in beginsel tot niet-ontvankelijkheid.

Hierop wordt een uitzondering gemaakt als de inhoud van de beschikking na de uitspraak (of andere relevante stukken) niet onmiddellijk beschikbaar is en de appeltermijn niet verder uitstel toelaat.

In die situatie moet beroep worden ingesteld binnen de beroepstermijn en kunnen de gronden van het beroep daarna met bekwame spoed in een aanvullend beroepschrift worden ingediend.

Zie de conclusie van de Advocaat-Generaal van 29 juni 2016, PHR:2016:1140.

Naar het oordeel van het hof staat in het beroepschrift een duidelijke omschrijving van het verzoek, namelijk dat de beschikking van de kantonrechter moet worden vernietigd, maar ontbreekt daarbij een beroep op een doorbrekingsgrond en valt de stelling van appellant dat de kantonrechter bij de bestreden beschikking buiten het toepassingsgebied van artikel 4:202 lid 1 onder a BW is getreden er ook – zelfs met een maximum aan welwillendheid – niet in te lezen.

Het enkele aanvoeren dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant er in zijn hoedanigheid van executeur niet in is geslaagd aan te tonen dat de goederen van de nalatenschap (ruimschoots) voldoende zijn om de schulden te betalen, dat zijn taak als executeur is geëindigd en dat de nalatenschap van de overledene moet worden vereffend, is daartoe volstrekt onvoldoende.

Naar het oordeel van het hof is in het beroepschrift dan ook niet gesteld dat sprake is van een doorbrekingsgrond.

Een uitzonderingsgeval als hiervoor vermeld, op grond waarvan na de beroepstermijn een aanvullend beroepschrift met nadere gronden/grieven kan worden ingediend, doet zich echter in deze zaak niet voor en is ook niet door appellant gesteld.

Omdat de nadere grief gericht op de doorbrekingsgrond eerst pas bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is aangevoerd, komt het hof tot de conclusie dat deze grief/stelling te laat is aangevoerd en dat appellant niet-ontvankelijk is in het hoger beroep.

Als de nadere grief/stelling wel tijdig was aangevoerd/gedaan en appellant dus in beginsel wel ontvankelijk zou zijn ter beoordeling primair van de doorbrekingsgrond, dan is het hof evenwel van oordeel dat de door [appellant] ingeroepen doorbrekingsgrond zich ook niet voordoet.

De kantonrechter heeft bevoegd en binnen het toepassingsbereik van artikel 4:202 lid 1 onder a BW, op basis van een daarop expliciet gericht verzoek, een beslissing gegeven na het doorlopen van een procedure gebaseerd op hoor en wederhoor.

Die beslissing staat op zichzelf. Vervolgens heeft de kantonrechter – zo nodig ambtshalve – vastgesteld dat ten gevolge van haar beslissing op het verzoek ingevolge artikel 4:202 lid 1 onder a BW van rechtswege de taak van de executeur is beëindigd.

De taak van een executeur eindigt volgens artikel 4:149 lid 1 sub d BW namelijk wanneer de nalatenschap overeenkomstig de derde afdeling van de zesde titel (“Vereffening van de nalatenschap”, waar artikel 4:202 BW onderdeel van uitmaakt) moet worden vereffend.

Dit is een op zichzelf staande en juridisch juiste constatering van de kantonrechter die voortvloeit uit de genoemde zelfstandige beslissing gebaseerd op artikel 4:202 lid 1 onder a BW.

De kantonrechter heeft ten behoeve van partijen slechts duidelijkheid willen creëren.

De slotsom is dat het hof van oordeel is dat appellant niet-ontvankelijk is dit hoger beroep. Daarmee behoeft het beroepschrift geen inhoudelijke behandeling.

Het hof zal appellant niet-ontvankelijk verklaren.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.