In de praktijk van onze advocaten erfrecht wordt vaak gevraagd naar de mogelijkheden om een testament aan te tasten. De meest voorkomende kwestie is dat onterfde kinderen van mening zijn dat hun vader of moeder al dement was ten tijde van het passeren van het testament.
Wanneer iemand een testament heeft laten opstellen terwijl hij of zij op dat moment niet wilsbekwaam was is dit testament nietig. Maar hoe toon je dat aan? De meeste zaken stranden op het medisch beroepsgeheim. Maar in een enkel geval lukt het toch. Bijvoorbeeld in de zaak die werd behandeld door de Rechtbank Gelderland op 21 november 2017. Het ziekenhuis wordt veroordeeld het medisch dossier, over een bepaald periode, aan eiseres te geven. Van cruciaal belang was dat eiseres een beperkt aantal gegevens kon overleggen waarvan de rechtbank al vond dat deze on leiden tot twijfel over de wilsbekwaamheid van erflater (zie hieronder cursief).
De zaak
Aan de orde in kort geding is een zaak waarin de moeder van een minderjarige zoon tegen het Radboud ziekenhuis in Nijmegen procedeert
De moeder heeft een relatie met de heer A gehad. Uit die relatie is de zoon geboren. De heer A woont samen met mevrouw A.
Op 29 december 2015 heeft de heer A een hersenbloeding gekregen in zijn linker hersenhelft. Hij is opgenomen in het ziekenhuis en twee dagen later verplaatst naar het Radboud UMC. Op deze datum is tussen de heer A en het Radboud UMC een geneeskundige behandelovereenkomst tot stand gekomen.
De heer A heeft vervolgens van 31 december 2015 tot 19 januari 2016 in het Radboud UMC gelegen. Tijdens dit verblijf is door notaris [mr. B] , op 8 januari 2016 een volmacht opgesteld waarmee de heer A zijn zus en partner heeft gemachtigd om gezamenlijk voor hem beslissingen te nemen. Op 19 januari 2016 is de heer A per ambulance overgebracht naar de Sint Maartenskliniek in Ubbergen om te revalideren.
Op 20 januari 2016 is de heer A met zijn partner een samenlevingscontract aangegaan en op deze zelfde datum is het testament van de heer A verleden. In dit testament is zijn partner tot enig erfgenaam en executeur benoemd.
Tijdens het verblijf van de heer A in de Sint Maartenskliniek is een revalidatieplan opgesteld. Het revalidatieplan daterende van 1 februari 2016 vermeldt onder meer het volgende:
“LG: over 4 weken
dhr. geeft ja en nee adequaat aan.
dhr. spreekt met hulp woorden uit.
dhr. zet met hulp taalzakboek in.
dhr. zet zo mogelijk op verzoek non-verbale communicatie in.
(…)
Nabespreking
(…)
Het meest hindert de communicatie, dhr. kan niet goed aangeven wat hij wil en bedoelt. (…)”
Op 29 februari 2016 heeft een tweede (na)bespreking van het revalidatieplan plaatsgevonden. Naar aanleiding van deze bespreking is onder meer het volgende vastgelegd:
“(…)
LG: over 4 weken
Dhr. geeft ja en nee adequaat aan: NIET BEHAALD, het is afhankelijk van het gespreksonderwerp hoe goed dit lukt. Over het algemeen is het voor zijn omgeving lastig om zijn ja/nee goed te interpreteren. In oefensituatie lukt het minder goed dan wanneer dhr. vanuit eigen intentie iets wil duidelijk maken.
dhr. spreekt met hulp woorden uit: GEDEELTELIJK BEHAALD Dhr. kan woorden soms naspreken, maar gaat snel over in perseveratie.
dhr. zet met hulp taalzakboek in: NIET BEHAALD wanneer de juiste bladzijde voor gelegd word en er in oefening iets gevraagd wordt is de respons wisselend. Het gebruik van een ander communicatiehulpmiddel is op dit moment niet mogelijk i.v.m. de forse problemen met bijv. categoriseren
dhr. zet zo mogelijk op verzoek non-verbale communicatie in: NIET BEHAALD het is afhankelijk van het gespreksonderwerp in hoeverre het dhr. lukt om non-verbale communicatie in te zetten. Wanneer het onderwerpen betreft die hij interessant vindt is er enige reactie zichtbaar.
(…)
Nabespreking:
(…)
Ja/nee is niet altijd duidelijk.
Dhr is meer gefrustreerd, lijkt niet alles te begrijpen, (…)
De heer A is vervolgens op 19 april 2016 overgeplaatst en opgenomen in verpleeghuis De Viermaster in Apeldoorn. De heer A is daarna op enig moment opgenomen in het Gelreziekenhuis in Apeldoorn. In dit ziekenhuis is de heer A op 10 mei 2016 overleden.
Het geschil
De moeder vordert Radboud UMC te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis primair om aan de moeder en subsidiair aan een door de moeder of de voorzieningenrechter aan te wijzen deskundige, een afschrift te verstrekken van het volledige bij haar aanwezige medisch dossier van de heer A voor zover dit medisch dossier betrekking heeft op de periode 31 december 2015 tot en met 19 januari 2016, althans binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn of onder nader te bepalen voorwaarden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of dagdeel dat niet (volledig) aan dit vonnis wordt voldaan.
Radboud UMC voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.
De moeder legt aan haar vordering ten grondslag dat de heer A in deze periode medische behandeling heeft ondergaan in het Radboud UMC vanwege een hersenbloeding en dat de gegevens die daarvan zijn bijgehouden mogelijk kunnen bijdragen aan de vaststelling van de geestestoestand van de heer A kort voor 20 januari 2016. De moeder stelt dat op deze datum het testament van de heer A is verleden, waarin zijn (toenmalig) partner tot enig erfgenaam en executeur is benoemd, maar dat ernstige twijfels bestaan of de heer A op dat moment wel in staat was zijn wil te bepalen en kenbaar te maken. De moeder stelt dat haar minderjarige zoon een emotioneel en financieel zwaarwegend belang heeft bij het achterhalen van de wilsbekwaamheid van de heer A op 20 januari 2016 en dat, nu daarvoor inzage in de medische gegevens die zijn bijgehouden in het Radboud UMC noodzakelijk zijn, de vordering strekkende tot afgifte van die gegevens dient te worden toegewezen. Radboud UMC voert verweer en voert aan dat de behandelend arts beroepsgeheim heeft en dat het haar daarom niet zonder meer vrijstaat om het medisch dossier met betrekking tot de periode 31 december 2015 tot en met 19 januari 2016 aan de moeder te verstrekken, zodat zij daartoe niet vrijwillig zal overgaan.
De rechter
Voor doorbreking van het beroepsgeheim kan plaats zijn indien voldoende concrete aanwijzingen bestaan dat een ander zwaarwegend belang zou kunnen worden geschaad indien het beroepsgeheim onverkort wordt gehandhaafd. Volgens de moeder is een dergelijk zwaarwegend belang bij de zoon aanwezig, omdat hij zonder het testament, waarvan hij nietigverklaring wegens wilsonbekwaamheid vordert in een bodemprocedure, als nakomeling van erflater aanspraak kan maken op (een deel van) de nalatenschap. De voorzieningenrechter overweegt dat als het zo zou zijn dat de heer A ten tijde van het verlijden van het testament onvoldoende in staat was om zijn wil te bepalen, om te begrijpen wat er in het testament stond en om kenbaar te maken dat hetgeen de notaris aan hem voorlas datgene was wat hij werkelijk wilde, dat zou kunnen betekenen dat het testament niet zijn uiterste wil bevat. Voor de voorshandse aanname dat dat inderdaad (wellicht) niet het geval is, verschaffen de medische gegevens die moeder heeft overgelegd met betrekking tot de periode dat de heer A in de Sint Maartenskliniek verbleef voldoende aanknopingspunten. Uit deze medische gegevens volgt dat bij de nabespreking van het voor de heer A opgestelde revalidatieplan is gebleken dat zowel het doel om adequaat ja en nee te kunnen aangeven als het doel om daarvoor non-verbale communicatie in te zetten niet zijn behaald. Hoewel daaruit niet zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat de heer A tijdens zijn verblijf in het geheel niet in staat zou zijn geweest om zijn uiterste wil te bepalen en kenbaar te maken, kan daaraan wel worden getwijfeld. Temeer omdat uit de medische gegevens tevens volgt dat de heer A niet alles wat tegen hem werd gezegd leek te begrijpen en daarnaast moeite had met het categoriseren van hetgeen tegen hem werd gezegd. Indien de heer A op 20 januari 2016 niet wilsbekwaam blijkt te zijn geweest, moet worden aangenomen dat met de inhoud van het verleden testament afbreuk is gedaan aan de positie van de zoon die krachtens het erfrecht tot de nalatenschap geroepen kan zijn. Dat is, zo heeft ook het Radboud UMC erkend, nog afgezien van de emotionele aspecten die meespelen een zwaarwegend (financieel) belang waarin de moeder zou kunnen zijn geschaad.
De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat voor de moeder niet langs andere weg dan door middel van het verkrijgen van de medische gegevens van het Radboud UMC voldoende mogelijkheden bestaan om te kunnen vaststellen of het testament van de heer A rechtsgeldig is opgemaakt. De enkele mogelijkheid tot het horen van de notaris die het testament heeft opgesteld, biedt op voorhand geen afdoende waarborg om vast te stellen of de heer A in staat was zijn wil voldoende te bepalen. De omstandigheden waaronder het testament tot stand is gekomen geven daartoe in ieder geval geen aanleiding, nu de inhoud van het testament kennelijk aan de notaris is opgegeven door de partner van de heer A en de notaris klaarblijkelijk met de enkele voorlezing van het testament heeft volstaan en instemming van de heer A daarmee zegt te hebben vernomen door het knipperen van zijn ogen. In die situatie is objectieve medische informatie zoals volgt uit het medisch dossier dat in het Radboud UMC is bijgehouden (mede) van belang om te kunnen oordelen of de heer A op 20 januari 2016, één dag nadat hij vanuit het Radboud UMC naar de Sint Maartenskliniek was overgeplaatst, psychisch en fysiek in staat was om zijn laatste wil te bepalen en kenbaar te maken. Daarom heeft de moeder een concreet en specifiek belang om kennis te kunnen nemen van deze medische informatie met betrekking tot de gezondheidstoestand van de heer A kort voor het verlijden van het testament.
Dit alles leidt ertoe dat voldoende gronden bestaan om in kort geding het beroepsgeheim van de behandelend arts van de heer A in het Radboud UMC te doorbreken en inzage in het door hem bijgehouden medische dossier toe te staan. Het Radboud UMC en meer specifiek [dokter C] hebben in dat verband aangegeven bereid te zijn om een deskundige inzage in het dossier te geven om te kijken of dat dossier relevante informatie bevat, mits de (voormalig) partner van de heer A daarmee instemt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, nog daargelaten de vraag of toestemming van deze partner noodzakelijk is, dat aanbod onvoldoende tegemoet komt aan het belang van de moeder om zelf kennis te kunnen nemen van de inhoud van de medische informatie met het oog op de (bodem)procedure die bij deze rechtbank loopt tegen de (voormalig) partner van de heer A met betrekking tot de nietigheid van het testament. Daarbij komt dat het uiteindelijk niet aan een deskundige is om te bepalen of informatie in het medisch dossier relevant is voor de wilsbekwaamheid van de heer A , maar aan de bodemrechter, al dan niet na het horen van deskundigen. Daarom zal de primaire vordering van de moeder, strekkende tot veroordeling van het Radboud UMC om een afschrift van het medisch dossier van de heer A aan haar te verstrekken, worden toegewezen. Dit betreft zoals gevorderd enkel de aanwezige medische gegevens over de periode van 31 december 2015 tot en met 19 januari 2016, nu ook enkel deze gegevens relevant zijn voor het bereiken van het doel waarmee deze procedure is ingesteld. Voor het opleggen van een dwangsom ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding, omdat verwacht mag worden dat Radboud UMC dit vonnis vrijwillig zal naleven.
Lees hier de hele uitspraak.