Van onze advocaat erfrecht. De Rechtbank Overijssel heeft op 9 augustus 2017 uitspraak gedaan over het leveren van bewijs van dementie van erflater bij het opmaken van zijn testament, over de afgifte van het medisch dossier en de doorbreking van het medisch beroepsgeheim.

Eiser c.s. zijn de erfgenamen van de op 2014 overleden mevrouw X. Eiser sub 1 was de echtgenoot van X. Eisers sub 2, 3 en 4 zijn kinderen van eiser sub 1 en X.

Gedaagde was de huisarts van X en is nog altijd de huisarts van eiser c.s.

X heeft bij uiterste wilsbeschikking van 7 oktober 2008 voor het laatst over haar nalatenschap beschikt. In het betreffende testament heeft zij eiser c.s. tot haar enige erfgenamen benoemd. Aan A is gelegateerd een bedrag in contanten ter grootte van haar legitieme portie te verminderen met een aantal nader omschreven posten.

A is in 2015 bij deze rechtbank een procedure gestart waarin zij de vernietiging van het testament heeft gevorderd, omdat X in oktober 2008 niet in staat zou zijn geweest haar wil te bepalen.

In die procedure is A bij tussenvonnis van 3 februari 2016 opgedragen te bewijzen dat haar moeder op 7 oktober 2008 al zodanig dement was dat zij niet in staat was om haar wil voldoende te bepalen.

A heeft naar aanleiding van deze bewijsopdracht en na daartoe verkregen toestemming van eiser c.s. en gedaagde door de heer B een deskundigenonderzoek laten verrichten op basis van het medisch dossier van X.

Gedaagde heeft bij brief van 2 maart 2016 voornoemde toestemming verleend. Deze brief luidt als volgt: “Naar aanleiding van uw vragen over het dossier van mevrouw X kan ik u het volgende berichten. Ik wil het dossier in kunnen laten zien door een arts die mevrouw X niet behandeld heeft. Die arts kan dan oordelen of er medisch relevante informatie in staat waarmee een rechter kan oordelen of mevrouw X in oktober 2008 handelingsonbekwaam was. Die relevante informatie mag door die arts dan gekopieerd worden voor de rechter. Mijn voorwaarde is wel dat de betrokken arts door beide partijen aanvaard wordt.

In zijn rapportage van 28 juni 2016 heeft B geconcludeerd dat X in oktober 2008 al zodanig dementerend was dat zij medisch gezien niet in staat was haar wil zelfstandig naar behoren te kunnen bepalen inzake haar nalatenschap en de reikwijdte en de gevolgen van haar beslissingen dienaangaande te overzien.

In oktober 2016 heeft de advocaat van eiser c.s. en de advocaat van A gedaagde tevergeefs verzocht om het medisch dossier van X ter beschikking te stellen voor een contra-expertise.

Per brief van 29 maart en e-mail van 4 april 2017 heeft de raadsman van eiser c.s. gedaagde nogmaals tevergeefs verzocht het medisch dossier van X ter beschikking te stellen.

Eiser c.s. vorderen veroordeling van gedaagde, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, tot het ter beschikking stellen van het medisch dossier van X ten behoeve van een in opdracht van eiser c.s. te verrichten contra-expertise naar aanleiding van het door B verrichte deskundigenonderzoek, welke terbeschikkingstelling geschiedt onder de voorwaarde dat de informatie uit het dossier slechts ter beschikking wordt gesteld aan de deskundige, de deskundige die informatie niet zal verspreiden en hij slechts zal citeren uit het dossier als dat voor de onderbouwing in de rapportage van de door hem te onderzoeken vraag noodzakelijk is.

Het spoedeisend belang vloeit voldoende voort uit de stellingen van eiser c.s., zodat het verweer van gedaagde dienaangaande gepasseerd wordt.

Gedaagde weigert het medisch dossier van X ten behoeve van de contra-expertise ter beschikking te stellen en beroept zich daarbij op zijn medisch beroepsgeheim. Hij voert daartoe aan dat hij dit beroepsgeheim slechts mag doorbreken indien X hiervoor zelf toestemming heeft gegeven, dan wel indien deze toestemming verondersteld mag worden, dan wel indien er voldoende concrete aanwijzingen bestaan dat een ander zwaarwegend belang geschaad wordt bij het niet doorbreken van dit beroepsgeheim. Volgens gedaagde is van geen van deze situaties sprake. Gedaagde stelt ook dat hij, om de familie van X tegemoet te komen, bereid is geweest om het dossier eenmalig aan een door hen gezamenlijk aan te wijzen deskundige arts ter beschikking te stellen en dat dit ook heel duidelijk uit zijn brief van 2 maart 2016 volgt.

Bewijs van dementie van erflater bij opstellen testament. Medisch dossier. Medisch beroepsgeheim.

Bij de beoordeling van de vordering van eiser c.s. moet het volgende voorop gesteld worden. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:457 BW dient de hulpverlener ervoor zorg te dragen dat aan anderen dan de patiënt geen inlichtingen over de patiënt, dan wel inzage in of afschrift van diens dossier wordt verstrekt dan met toestemming van de patiënt.

Artikel 7:457 BW beoogt niet alleen de belangen van de patiënt te beschermen, maar ook het algemene belang dat personen zich tot hulpverleners moeten kunnen wenden zonder ervoor beducht te zijn dat hun in vertrouwen verstrekte gegevens kunnen worden verspreid. Hoewel met dit belang van geheimhouding, dat ook geldt nadat de patiënt is overleden, niet lichtvaardig mag worden omgesprongen, kan onder bepaalde omstandigheden een inbreuk op de geheimhoudingsplicht gerechtvaardigd zijn. Een dergelijke inbreuk is slechts mogelijk indien er voldoende concrete aanwijzingen bestaan dat door het beroep van de hulpverlener op zijn beroepsgeheim een ander zwaarwegend belang zou kunnen worden geschaad (Hoge Raad, 20 april 2001, HR:2001:AB1201).

In het onderhavige geval heeft de rechter in de bodemprocedure A opgedragen te bewijzen dat X op 7 oktober 2008 al zodanig dement was dat zij niet in staat was om haar wil voldoende te bepalen. A heeft ervoor gekozen dit bewijs onder meer door middel van een deskundigenbericht te leveren en heeft een onderzoek laten verrichten op basis van het medisch dossier van X. De rechter heeft de door A ingeschakelde deskundige vervolgens als een partijdeskundige aangemerkt, hetgeen betekent dat eiser c.s. gelet op het in artikel 19 Rv neergelegde beginsel van hoor- en wederhoor recht hebben op een contra-expertise, waartoe zij dan ook in de gelegenheid zijn gesteld. Dit beginsel van hoor- en wederhoor is een fundamenteel beginsel van het burgerlijk procesrecht en levert naar het oordeel van de voorzieningenrechter evident een zwaarwegend belang op dat maakt dat een inbreuk op de geheimhoudingsplicht van gedaagde gerechtvaardigd is. Gedaagde kan zich er dan ook niet op beroepen dat hij het medisch dossier van X slechts eenmalig ter beschikking zou hebben willen stellen. Overigens heeft de raadsman van A, noch de raadsman van eiser c.s. de brief van gedaagde van 2 maart 2016, waaruit voornoemde intentie zou moeten blijken, op die manier begrepen.

Gedaagde heeft nog aangevoerd dat ook op een andere manier dan door onderzoek op basis van het medisch dossier opheldering verkregen kan worden over de verstandelijke vermogens van X ten tijde van het verlijden van het testament, bijvoorbeeld door middel van het horen van een aantal andere artsen van X als getuigen, maar ook deze stelling wordt niet gevolgd. In de bodemprocedure is immers reeds een rapport van een partijdeskundige overgelegd, hetgeen betekent dat eiser c.s. ook de mogelijkheid voor een dergelijk onderzoek dienen te krijgen.

De conclusie uit het voorgaande is dat de vordering van eiser c.s. zal worden toegewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vernietiging van een testament, over de wilsbekwaamheid van erflater tijdens het opstellen van het testament, of over het te leveren bewijs van de wilsonbekwaamheid van de erflater, belt u dan gerust onze advocaat erfrecht op 020-3980150.