De Rechtbank Den Haag heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of een concept-testament overeen kwam met de uiterste wil van de erflaatster.

In deze procedure vorderen eisers – kort samengevat – de verklaring voor recht dat gedaagde de rechten worden ontzegd die hem op grond van titel 2 en 3, boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) als echtgenoot zouden toekomen en subsidiair dat gedaagde zich schuldig maakt aan een onrechtmatige daad, dan wel in strijd handelt met de redelijkheid en billijkheid door de nalatenschap van B te aanvaarden

De notaris heeft een concept-testament gestuurd waarin is opgenomen dat eisers benoemd zijn  als erfgenamen en gedaagde van erfopvolging is uitgesloten.

Erfrecht. Versterferfrecht. Concept-testament. Komt het concept-testament overeen met de uiterste wil van erflaatster? Maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

De rechter oordeelt als volgt.

Niet in geschil is dat op het moment van overlijden van B het testament nog niet was gepasseerd en ook de echtscheiding, die al wel was uitgesproken, nog niet was ingeschreven in het daarvoor bestemde register.

Het gevolg hiervan is dat gedaagde op grond van het wettelijk versterfrecht net als eisers voor een derde deel erfgenaam is in de nalatenschap.

Bovendien verkrijgt gedaagde als langstlevende echtgenoot de goederen van de nalatenschap, waaronder het huis, terwijl eisers enkel een niet opeisbare geldvordering verkrijgen op gedaagde ter hoogte van hun erfdeel als bedoeld in artikel 4:13 BW.

Ter voorkoming hiervan vorderen eisers in deze procedure primair een verklaring voor recht dat gedaagde de hem als echtgenoot op grond van het versterfrecht toekomende rechten worden ontzegd.

Zij beroepen zich hierbij op de (beperkende werking van de) redelijkheid en billijkheid.

Subsidiair handelt gedaagde volgens eisers onrechtmatig door de nalatenschap te aanvaarden.

De rechtbank begrijpt het primair gevorderde zo dat het op een echtgenoot toepasselijke versterfrecht volgens eisers op grond van de redelijkheid en billijkheid buiten toepassing moet worden verklaard als bedoeld in artikel 6:2 BW.

Naar de heersende leer heeft artikel 6:2 BW ook gelding in het erfrecht (zie Hof Den Haag 12 mei 2021, GHDHA:2020:891).

Op grond van dit artikel wordt een rechtsregel buiten toepassing gelaten als toepassing van de regel in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Dit is enkel het geval als toepassing leidt tot onaanvaardbare gevolgen.

Om tot deze conclusie te komen moet sprake zijn van uitzonderlijke omstandigheden.

Uit de uitspraak van het hof Den Haag van 6 juli 2019, GHDHA:2019:2800, kan worden afgeleid dat afwijking van het toepasselijke versterfrecht naar aanleiding van een concept testament op grond van de redelijkheid en billijkheid mogelijk is als er ‘volstrekte zekerheid’ is dat hetgeen is vastgelegd in het concept testament overeenstemt met de uiterste wil van de overledene op het moment van overlijden.

Hiermee wordt immers voorbijgegaan aan de vormvereisten die gelden voor een rechtsgeldig testament, die ertoe dienen te waarborgen dat de wil ten tijde van het passeren van de akte overeenstemt met hetgeen in het concept testament is vastgelegd.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.