Het Gerechtshof Amsterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of er rekening en verantwoording diende te worden afgelegd over een gedurende het leven van erflaatster gevoerd financieel beheer.

Partijen zijn de kinderen en erfgenamen van erflaatster.

Erflaatster is in 2016 overleden.

Zij heeft niet bij testament over haar nalatenschap beschikt.

Erflaatster is in oktober 2011 op 86-jarige leeftijd verhuisd van haar huurwoning naar een appartement in woonzorgcentrum X.

In 2011 is bij haar een beginnende vorm van dementie geconstateerd.

Met een beroep op het arrest van dit hof van 11 april 2017 (GHAMS:2017:1272) is eiser van mening dat gedaagde verplicht is rekening en verantwoording af te leggen omdat hij vele financiële handelingen heeft verricht die ten voordele van hemzelf kwamen en die niet passen bij het normale uitgavenpatroon van erflaatster.

Erfrecht. Financieel beheer gedurende het leven van de erflaatster. Afleggen van rekening en verantwoording over het gevoerde beheer? Vallen de uitgaven onder het normale uitgavenpatroon van de erflaatster? Dementie.

De rechter oordeelt als volgt.

De basis voor de stellingen van eiser is dat sprake is van onjuist financieel beheer van de financiën van erflaatster door gedaagde en dat gedaagde onvoldoende uitleg en toelichting geeft over (en op) de transacties die hebben plaatsgevonden vanaf de bankrekening van erflaatster.

Eiser is van mening dat gedaagde rekening en verantwoording dient af te leggen en dat gedaagde dit onvoldoende heeft gedaan.

Als gevolg hiervan, zo begrijpt het hof de vordering van eiser, kan niet worden vastgesteld dat de betalingen vanaf de bankrekening van erflaatster met haar toestemming zijn gedaan en moet ervan uit worden gegaan dat zij geen toestemming heeft gegeven.

Gedaagde betwist dat hij rekening en verantwoording moet afleggen, dan wel dat hij dit onvoldoende heeft gedaan.

Volgens vaste rechtspraak kan een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden.

Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht (vgl. onder meer HR 8 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1911).

Of het doen van rekening en verantwoording geboden is, is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Omstandigheden die in dit verband een rol kunnen spelen zijn onder meer:

  • de redenen waarom het beheer is gevoerd,
  • de verhouding die bestond tussen degene die het beheer voerde en de rechthebbende,
  • hetgeen in de relatie tussen partijen of in soortgelijke gevallen gebruikelijk is of was,
  • de mate waarin degene die het beheer voerde, zelfstandig kon en mocht handelen, en
  • de mate waarin de rechthebbende in staat is geweest de handelingen van degene die het beheer voerde te overzien en voor zijn belangen op te komen (vgl. HR 9 mei 2014, HR:2014:1089).

In het onderhavige geval verschillen partijen van mening in hoeverre erflaatster nog in staat was haar financiën zelfstandig te beheren.

Eiser heeft aangevoerd dat erflaatster vanaf eind 2010/begin 2011 niet meer in staat was haar financiële belangen te behartigen vanwege haar dementie.

Gedaagde heeft dit betwist.

Hij heeft erop gewezen dat in 2011 weliswaar een beginnende vorm van dementie bij erflaatster is geconstateerd, maar dat erflaatster tot 2014 voldoende wilsbekwaam was om haar eigen belangen te behartigen.

Tot 28 oktober 2011 heeft zij zelfstandig gewoond, waarna zij naar een appartement in een woonzorgcentrum is verhuisd.

Ook in dit woonzorgcentrum woonde zij grotendeels zelfstandig.

Wel heeft zij op enig moment ervoor gekozen de warme maaltijden in het restaurant te gaan gebruiken.

Tot en met 2011 deed erflaatster zelf haar boodschappen, vaak samen met gedaagde ; vanaf 2012 deden hij of zijn echtgenote deze voor haar.

Vanaf 2014 verslechterde de geestelijke gezondheid van erflaatster en is zij verhuisd naar een ander woonzorgcentrum, waar zij in een kleine woongroep voor ouderen met dementie verbleef.

Vanaf 2014 was zij volgens gedaagde niet meer in staat haar eigen belangen te behartigen.

Gelet op de betwisting door gedaagde heeft eiser onvoldoende onderbouwd dat erflaatster reeds vóór 2014 (en vanaf 2010) niet in staat was haar eigen financiën te behartigen of daarop (toe)zicht te houden.

Tot die tijd voerde erflaatster haar eigen huishouden, al dan niet met enige hulp.

Gesteld noch gebleken is dat erflaatster gedaagde heeft verzocht rekening en verantwoording af te leggen.

Evenmin heeft het hof aanleiding om aan te nemen dat de betalingen, overboekingen of pinopnames door gedaagde niet in opdracht of zonder instemming van erflaatster hebben plaatsgevonden.

Immers, nu erflaatster niet wilsonbekwaam was of anderszins beperkt in de uitoefening van haar financiële bevoegdheden en zij een goede relatie had met gedaagde, moet tegen deze achtergrond ervan worden uitgegaan dat de betalingen, overboekingen en pinopnames door gedaagde de instemming hadden van erflaatster.

Dat sprake is van een situatie, waarin op gedaagde de verplichting rust rekening en verantwoording af te leggen, is dan ook niet komen vast te staan, nog daargelaten dat gedaagde voldoende, concrete verklaringen heeft gegeven voor de verschillende betalingen.

Zo heeft hij erop gewezen dat erflaatster tot haar verhuizing in 2014 een eigen huishouding voerde, kleding nodig had, nieuwe meubels e.d. heeft gekocht, kosten maakte voor onder meer haar persoonlijke verzorging, cadeaus, uitstapjes en vakanties.

Partijen zijn het erover eens dat erflaatster vanaf haar verhuizing in 2014 wilsonbekwaam was.

Het hof zal dit daarom als uitgangspunt nemen.

Uit die geestelijke toestand volgt dat ervan mag worden uitgegaan dat erflaatster vanaf dat moment niet meer in staat was te overzien wat met haar geld gebeurde.

Dit brengt echter niet zonder meer mee dat een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording is ontstaan.

Gelet op de familierelatie, de omstandigheid dat gedaagde al sinds 2010 erflaatster hielp met het doen van boodschappen en de hulpbehoevendheid van erflaatster na haar verhuizing, waarbij gedaagde en zijn vrouw mantelzorg verleenden, is het hof van oordeel dat enige terughoudendheid moet worden aangehouden in het vaststellen van een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording.

Deze terughoudendheid vindt een grens bij financiële handelingen die gedaagde ten behoeve van zichzelf of zijn gezin heeft verricht en financiële handelingen die wat aard en/of omvang betreft niet kunnen worden gerekend tot het normale uitgavenpatroon van erflaatster (vgl. Hof Amsterdam 11 april 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1272).

Tussen partijen is niet in geschil dat gedaagde kopieën van de bankafschriften aan eiser heeft gegeven.

Aan de hand van deze afschriften heeft eiser in eerste aanleg overzichten gemaakt van uitgaven die naar zijn mening tot “normale” uitgaven behoren en uitgaven die daartoe niet behoren, te weten de onverklaarbare overboekingen naar de privérekening van gedaagde, de onverklaarbare uitgaven en de pinopnamen.

Gedaagde heeft in eerste aanleg een toelichting gegeven op de uitgaven die onder deze laatste drie categorieën vallen.

Naar het oordeel van het hof heeft eiser niet, althans onvoldoende gesteld en onderbouwd dat deze uitgaven niet tot het normale uitgavenpatroon van erflaatster behoorden.

Dat eiser het wellicht niet eens was met die uitgaven, zoals de uitgaven voor een kranten-abonnement of nieuwe meubels, maakt dit niet anders.

Gedaagde heeft bovendien uitgelegd dat op advies van het verzorgingshuis het abonnement werd aangehouden en dat moeder in haar eigen woning over te grote en oude meubels beschikte, reden waarom nieuwe meubels zijn gekocht.

Het hof ziet geen aanleiding om voor deze uitgaven een onderscheid te maken tussen de drie categorieën, aangezien gedaagde voor alle drie de categorieën toelichtingen heeft gegeven.

Daarbij is hij weliswaar niet op iedere overboeking, uitgave of pinopname ingegaan, maar daartoe ziet het hof ook geen noodzaak, gelet op de eerder vermelde omstandigheden waaronder de door gedaagde verleende hulp heeft plaatsgevonden en de tijd die inmiddels is verstreken na de betwiste overboekingen, uitgaven en/of pinopnames.

Eiser is in hoger beroep niet ingegaan op de verklaring die gedaagde ter toelichting heeft gegeven, heeft niet onderbouwd waarom deze verklaring niet juist is en heeft niets nieuws aangevoerd wat tot een ander oordeel zou moeten leiden.

Het hof ziet geen aanleiding om aan de bewijslast van eiser minder eisen te stellen omdat hij niet van elke transactie kan bewijzen dat deze niet de instemming van erflaatster had.

Het gaat immers om de vraag of de uitgaven tot het normale uitgavenpatroon van erflaatster behoorden.

Dat deze uitgaven daartoe niet gerekend kunnen worden heeft eiser – zoals het hof reeds heeft overwogen – op geen enkele manier aannemelijk gemaakt.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.