De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of in de verkoop van een woning tegen een lagere prijs dan de vrije marktwaarde een gift lag besloten.
Eisers en gedaagde zijn de kinderen van de heer B (hierna: de erflater).
Erflater heeft bij testament van 10 november 2017 over zijn nalatenschap beschikt
Tussen partijen staat vast dat erflater op 30 april 2021 een bedrag van € 40.000,00 heeft overgemaakt aan mevrouw A.
Eisers stellen dat de overboeking een gift aan mevrouw A is die bij de vaststelling van de legitimaire massa in aanmerking dient te worden genomen.
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat deze overboeking aan mevrouw A op grond van artikel 4:69 lid 1 sub a BW niet als een gift moet worden aangemerkt die bij de berekening van de legitimaire massa in aanmerking dient te worden genomen.
Het bedrag van € 40.000,00 betreft een bijdrage in het levensonderhoud van mevrouw A.
Erfrecht. Legitieme. Giften. Ligt in de verkoop van een woning tegen een lagere prijs dan de vrije marktwaarde een gift besloten? Levensonderhoud. Bewijs. Waardebepaling. WOZ-waarde? Bewijslast en stelplicht.
De rechter oordeelt als volgt.
Artikel 4:69 lid 1 BW luidt als volgt:
‘Voor de toepassing van deze afdeling worden niet als giften beschouwd: giften aan personen ten aanzien van wie de erflater moreel verplicht was bij te dragen in hun onderhoud tijdens zijn leven of na zijn dood, voor zover zij als uitvloeisel van die verplichting zijn aan te merken en in overeenstemming zijn met het inkomen en het vermogen van de erflater.’
Het verweer van gedaagde is een zelfstandig verweer.
Gedaagde beroept zich immers op het rechtsgevolg van deze kwalificatie, namelijk dat de betalingen op grond dit artikel bij de berekening van de legitieme portie niet als gift maar als bijdragen in het levensonderhoud van mevrouw A moeten worden beschouwd en daarom niet op grond van artikel 4:67 BW bij de berekening van de legitieme portie moeten worden meegenomen.
De stelplicht en zo nodig bewijslast rusten op gedaagde.
Bij de beantwoording van de vraag of de giften kunnen worden aangemerkt als bijdragen in het levensonderhoud als bedoeld in artikel 4:69 lid 1 sub a BW, zijn allereerst de onderhoudsbehoefte van de begiftigde en de financiële capaciteit van de schenker van belang.
Verder moet de relatie van de schenker en de begiftigde in aanmerking worden genomen ter beantwoording van de vraag of er een morele verplichting tot onderhoud door de erflater bestaat en zo ja, in welke mate van intensiteit.
Gedaagden stelt ter onderbouwing dat mevrouw A de vriendin van erflater was en dat zij 17 jaar lang een relatie hadden.
Mevrouw A en haar kinderen leefden ten tijde van de Corona pandemie in bittere armoede vanwege het volledig stilvallen van het toerisme in Bali gedurende een periode van twee jaar.
Zij hadden daardoor geen inkomsten, waren ondervoed en konden niet in hun eigen levensonderhoud voorzien.
Erflater had de beschikking over de verkoopopbrengst van zijn woning die na aflossing van hypotheek en aftrek van kosten € 105.321,74 bedroeg.
Erflater had dus de financiële capaciteit om deze overboeking te verrichten, de behoefte van mevrouw A en haar kinderen aan een financiële bijdrage was zeer groot en tussen erflater en mevrouw A was sprake van een affectieve relatie van ruim 17 jaar.
Eisers voeren aan dat gedaagde haar stellingen niet met stukken heeft onderbouwd.
Dit is onvoldoende.
Het ligt eerst op de weg van eisers om de stellingen van gedaagde gemotiveerd te betwisten.
Eisers betwisten echter niet dat mevrouw A en erflater gedurende 17 jaar een affectieve relatie hadden en dat zij en haar kinderen behoefte hadden aan een financiële bijdrage en dat de financiële capaciteit van erflater een bijdrage van € 40.000,00 toeliet.
Het verweer van gedaagde dat de betaling van € 40.000,00 op grond van artikel 4:69 lid 1 sub a BW geen gift is die bij de berekening van de legitieme portie moet worden meegenomen, slaagt dan ook.
Eisers stellen verder dat gedaagde van erflater in 2007 een gift van € 40.000,00 heeft ontvangen.
Dit betrof het startkapitaal voor gedaagde om zelf een onderneming in de antiekhandel in Zuid-Afrika te starten.
Gedaagde betwist dat erflater haar een bedrag van € 40.000,00 heeft geschonken.
Gedaagde voert aan dat erflater zelf alles heeft betaald voor de antiekhandel, die eiser in Zuid-Afrika zou drijven.
Erflater heeft € 10.000,00 aan eiser betaald, € 5.000,00 betaald voor een marktonderzoek en hij heeft voor een bedrag van € 25.000,00 aan antiek gekocht.
Nu de gift aan gedaagden gemotiveerd door haar wordt betwist, ligt het op de weg van eisers om hun stelling nader te onderbouwen.
Dit hebben zij echter nagelaten.
Zo is al niet duidelijk welk bedrag het betreft.
Op de mondelinge behandeling stelt eiser zelf dat er van het bedrag van € 40.000,00 een bedrag van € 10.000,00 voor hem was om op te starten.
De stelling van eisers dat erflater een bedrag van € 40.000,00 aan gedaagde heeft geschonken wordt dan ook als onvoldoende feitelijk onderbouwd gepasseerd.
Eisers stellen verder dat sprake is van een gift aan gedaagde omdat zij de woning van erflater heeft gekocht voor een koopsom van € 150.000,00 terwijl de marktwaarde € 241.500,00 was.
Ter onderbouwing van de marktwaarde beroepen eisers zich op het door hen als productie 6 overgelegde taxatierapport.
Volgens eisers heeft het recht van gebruik en bewoning ten gunste van erflater geen waarde drukkend effect.
Gedaagde voert aan dat de WOZ-waarde van € 214.000,00 als uitgangspunt dient te worden genomen.
De door eisers uitgevoerde taxatie betreft slechts een geveltaxatie.
Gedaagde voert verder aan dat het recht van gebruik en bewoning ten gunste van erflater een waarde-drukkend effect op de marktwaarde heeft.
Als uitgangspunt hanteert de rechtbank de taxatiewaarde van € 241.500,00.
Eisers hebben een taxatierapport overgelegd waaruit deze waarde blijkt.
Dat de taxatie slechts een geveltaxatie betreft komt voor rekening en risico van gedaagde.
Op de mondelinge behandeling is door gedaagde niet betwist de stelling van eisers dat zij twee makelaars geen toegang tot de woning heeft gegeven.
Indien gedaagde van mening is dat de woning een lagere taxatiewaarde heeft, omdat volgens haar het interieur is verouderd, had zij dat dit feitelijk dienen te onderbouwen, bijvoorbeeld door zelf een taxatierapport over te leggen.
In het licht hiervan kan gedaagde niet volstaan met het verweer dat de woning een WOZ-waarde van € 214.000,00 had.
De getaxeerde waarde van € 241.500,00 betreft de waarde van de woning leeg en vrij van huur en gebruiksrechten.
Vaststaat dat de woning op het moment van verkoop door erflater aan gedaagde was belast met het recht van gebruik en bewoning ten gunste van erflater.
Nu de marktwaarde de verkoopwaarde van een woning is, ofwel de prijs die kopers in de markt bereid zijn te betalen voor een bepaald huis, dient bij de bepaling van de marktwaarde het recht van gebruik en bewoning als waardedrukkende factor in aanmerking te worden genomen.
Gedaagde voert aan dat met toepassing van artikel 5 en 10 van het Uitvoeringsbesluit Successiewet de marktwaarde van het recht van gebruik en bewoning dient te worden berekend op 6% van de vrije marktwaarde en dat dit dient te worden vermeerderd met een factor passend bij de leeftijd.
Nu erflater een leeftijd van 75 jaar had op het moment dat hij het recht van gebruik en bewoning kreeg, dient de factor 5 te worden toegepast.
Dit betreft een bedrag van € 72.450,00, aldus gedaagden.
Volgens eisers bedraagt het waardedrukkend effect geen € 72.450,00 en is door gedaagden ten onrechte aansluiting gezocht bij een fiscale berekening.
Echter, eisers stellen zelf niet op welke wijze de waardevermindering dient te worden berekend en met welk bedrag dan wel rekening dient te worden gehouden.
Dit had wel op hun weg gelegen.
Eisers kunnen niet volstaan met de blote betwisting.
Dit betekent dat wordt uitgegaan van een waardedrukkend effect van € 72.450,00 zodat de marktwaarde van de woning op 7 augustus 2020 € 169.050,00 was.
Vaststaat dat de woning voor € 150.000,00 aan gedaagde is verkocht.
Gedaagde stelt dat het verschil van € 19.050,00 gelet op de omvang geen gift betreft.
Voor zover dit wel als een gift zou kwalificeren, is sprake van een gift die gelet op artikel 4:69 BW niet in aanmerking dient te worden genomen bij de berekening van de legitieme portie en zij voert daartoe de volgende omstandigheden aan.
Vanwege de zeer beperkte omvang van de gift is sprake van een gebruikelijke gift die niet bovenmatig is (sub b).
In dat kader is ook van belang dat erflater en gedaagden al jaren een gezamenlijke huishouding voerden en gedaagden in dat kader diverse kosten ter zake het levensonderhoud van erflater voor haar rekening nam.
Ook is, mede daardoor, sprake van een gift aan een persoon ten aanzien van wie erflater moreel verplicht was bij te dragen in zijn onderhoud tijdens zijn leven of na zijn dood (sub a).
Gedaagden was de afgelopen 11 jaar inwonend bij erflater en zij verzorgde en ondersteunde erflater in het huishouden en in de dagelijkse verzorging.
De afgelopen drie jaren kan met recht gesproken worden over zeer intensieve mantelzorg nu de behoefte van erflater aan verzorging en ondersteuning in het huishouden toen erg groot was.
Erflater maakte zich zorgen over de huisvestingsmogelijkheden van gedaagde na zijn overlijden en voelde de dwingende morele verplichting om gedaagde verzorgd achter te laten na zijn overlijden.
Niet alleen vanwege de zeer nauwe familieband die tussen hen bestond, maar ook vanwege alle tijd en moeite die gedaagde stak in het zorgen voor haar vader.
Dit heeft erflater destijds doen besluiten om de woning aan gedaagde te verkopen.
Gelet op het gemotiveerde verweer van gedaagde had het op de weg van eisers gelegen om hier gemotiveerd op te reageren.
Dit hebben zij echter nagelaten.
De stelling van eisers dat er bij de verkoop van de woning sprake is van een gift die bij de berekening van de legitieme portie in aanmerking moet worden genomen, wordt dan ook als onvoldoende feitelijk onderbouwd verworpen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.