Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 1 november 2022 uitspraak gedaan in hoger beroep in kort geding over de vraag of verrekening met een geldvordering uit kindsdeel als een voorschot in kort geding mogelijk was.
Nadat moeder in verzorgingstehuis is opgenomen en het kindsdeel van dochter in de nalatenschap van vader daardoor opeisbaar is geworden, maakt dochter als voorschot op haar kindsdeel bedragen van de bankrekening van moeder over naar zichzelf.
Moeder vordert die bedragen in kort geding terug.
Tijdens het hoger beroep van dit kort geding wordt in een bodemprocedure de vordering van dochter op moeder ter zake haar kindsdeel in de nalatenschap van vader toegewezen.
Anders dan de voorzieningenrechter ziet het hof in het kort geding geen aanleiding om het beroep van dochter op verrekening van haar terugbetalingsplicht met haar vordering uit hoofde van haar kindsdeel onaanvaardbaar te achten.
Erfrecht. Testament. Opeisbaarheid van kindsdeel bij opname van langstlevende in verzorgingshuis. Geldvordering. Verrekening van schuld met kindsdeel als voorschot in kort geding mogelijk?
De rechter oordeelt als volgt.
Het beroep van appellante op verrekening van haar terugbetalingsplicht met de tegenvordering ter zake haar opeisbare kindsdeel
De voorzieningenrechter heeft in het tweede deel van het beroepen vonnis geoordeeld dat appellante haar verplichting tot betaling van de toe te wijzen bedragen niet mag verrekenen met de door haar gestelde vordering op geïntimeerde uit hoofde van haar kindsdeel in de nalatenschap van erflater.
Volgens de voorzieningenrechter is het beroep van appellante op verrekening naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
De grief is tegen dat oordeel gericht. In de toelichting op de grief stelt appellante dat haar vordering op geïntimeerde ter zake haar kindsdeel in de nalatenschap van erflater opeisbaar is geworden doordat geïntimeerde in een verzorgingstehuis is opgenomen.
Appellante stelt dat die vordering € 152.005,- bedraagt, overeenkomstig het bericht van de notaris van 30 september 2020.
Volgens appellante heeft de voorzieningenrechter ten onrechte geoordeeld dat appellante zich niet op verrekening van haar betalingsverplichting met haar tegenvordering ter zake haar kindsdeel mag beroepen.
Het hof stelt voorop dat geïntimeerde niet heeft betwist dat de vordering van appellante uit hoofde van haar kindsdeel opeisbaar is geworden door de opname van geïntimeerde en het verzorgingshuis.
Dit volgt ook uit hetgeen de erflater heeft bepaald in zijn testament.
Bij de beoordeling van de grief is verder van belang dat de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, geïntimeerde inmiddels bij het hierboven genoemde bodemvonnis van 22 juni 2022 heeft veroordeeld om aan appellante het primair gevorderde bedrag van € 152.005,- ter zake haar opeisbare kindsdeel te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 23 maart 2022.
De rechtbank heeft deze veroordeling bovendien uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het hof moet in dit kort geding het te wijzen arrest in beginsel afstemmen op het vonnis van de bodemrechter van 22 juni 2022 (HR 7 januari 2011, HR:2011:BP0015).
Onder omstandigheden kan er plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dit uitgangspunt.
Het hof ziet daarvoor in dit geval echter onvoldoende aanknopingspunten.
Het hof neemt daarbij in aanmerking dat geïntimeerde in dit hoger beroep de gelegenheid is gesteld om bij antwoordakte te reageren op het vonnis van de bodemrechter, maar van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt.
Voor het hof strekt dus tot uitgangspunt dat appellante ter zake haar kindsdeel in de nalatenschap van erflater een opeisbare vordering heeft op geïntimeerde ten bedrage van € 152.005,.
Naar het oordeel van het hof is het niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat appellante zich beroept op verrekening van deze opeisbare en door de rechtbank toegewezen vordering op geïntimeerde, met de bedragen van € 8.692,– en € 92.228,85 die appellante volgens het beroepen vonnis aan geïntimeerde moet terugbetalen.
De bevoegdheid van appellante tot deze verrekening volgt uit het bepaalde in artikel 6:127 lid 2 BW.
Appellante mag zich daar in de gegeven omstandigheden op beroepen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.