De Rechtbank Noord-Holland heeft op 31 mei 2023 uitspraak gedaan over de vraag of een legaat voor vermindering (imputatie) in aanmerking kwam bij een schending van de legitieme portie.
Eiseres vordert in het incident op grond van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) informatie in de vorm van inlichtingen en bescheiden.
Erfrecht. Legitieme. Vordering tot het verstrekken van stukken en inlichtingen bij incident mogelijk? Vermindering van een legaat. Verwerping van een legaat? Imputatie? Dagvaarden in hoedanigheid.
De rechter oordeelt als volgt.
Van een voorlopige voorziening als bedoeld in genoemd artikel is echter geen sprake.
Het betreft een definitieve beslissing die verder reikt dan de duur van het geding.
Dat de verkeerde grondslag is genoemd, is echter niet relevant.
Er is geen gesloten systeem van incidenten.
Elke als zodanig ervaren verwikkeling kan reden zijn tot een incidentele vordering.
Een vordering tot het verstrekken van bescheiden of inlichtingen die van belang kunnen zijn voor de hoofdzaak kan daarom als incidentele vordering worden ingesteld.
Anders dan gedaagde betoogt, hoeft eiseres een (spoedeisend) belang in de zin van artikel 223 Rv dus niet te stellen.
Gedaagde is geen erfgenaam
Eiseres heeft gedaagde gedagvaard in haar hoedanigheid van executeur en als erfgenaam.
Dat gedaagde erfgenaam was, heeft eiseres gebaseerd op het door de rechtbank verstrekte uittreksel uit het boedelregister.
Na de conclusie van antwoord in het incident is echter gebleken dat gedaagde de nalatenschap heeft verworpen en dat de registratie in het boedelregister onjuist was.
Die registratie is op 18 april 2023 door de rechtbank aangepast.
Gedaagde is dus geen erfgenaam en kan in die hoedanigheid ook niet worden aangesproken.
De incidentele vorderingen voor zover ingesteld tegen gedaagde in persoon zullen dan ook worden afgewezen.
In het vervolg van dit vonnis zal uitgegaan worden van gedaagde in haar hoedanigheid van executeur.
Imputatie?
Gedaagde stelt zich enerzijds op het standpunt dat de legitieme portie van eiseres door imputatie als bedoeld in artikel 4:71 van het Burgerlijk Wetboek (BW) nihil is en eiseres dus geen belang heeft bij de door haar gevorderde inlichtingen en bescheiden.
Anderzijds stelt gedaagde dat de discussie over toerekening van het legaat en imputatie te complex is om in een incident te worden behandeld, zodat de incidentele vorderingen moeten worden afgewezen.
De rechtbank volgt gedaagde niet in dat laatste.
Het enkele feit dat de rechtbank, om een beslissing te kunnen nemen over een incidentele vordering, (eerst) moet oordelen over een complexe of ingewikkelde juridische kwestie is geen reden om de vordering reeds daarom af te wijzen, ook niet als daarmee vooruit wordt gelopen op een beslissing in de hoofdzaak.
Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag of de legitieme portie van eiseres door imputatie nihil is, in welk geval zij geen recht heeft op het in dit incident gevorderde voorschot en geen belang bij het verstrekken van inlichtingen en bescheiden.
Artikel 4:71 BW bepaalt dat de waarde van al hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt – waaronder krachtens legaat – in mindering komt op zijn legitieme portie.
Ingevolge artikel 4:73 BW komt de waarde van een legaat van een bepaalde geldsom ook in mindering van de legitieme portie wanneer de legitimaris het legaat verwerpt.
De ratio achter deze bepaling is dat de legitimaris het in dat geval louter aan zichzelf te wijten heeft dat hij minder krijgt dan hij had kunnen ontvangen.
De rechtbank is het met gedaagde eens dat het standpunt van eiseres met betrekking tot het aanvaarden van het legaat dan wel het doen van een beroep op haar legitieme portie voorafgaand aan deze procedure wisselend en niet helder is geweest.
Op meerdere momenten heeft zij gedaagde meegedeeld dat zij het legaat aanvaart, maar zij heeft tegelijk ook meerdere keren een beroep gedaan op haar legitieme.
Uit het feit dat eiseres in de hoofdzaak uitsluitend vaststelling en betaling van haar legitieme portie vordert en niet van het legaat, begrijpt de rechtbank echter dat gedaagde nu uitsluitend een beroep doet op haar legitieme portie.
Door dat beroep op de legitieme portie is het legaat dat erflater eiseres had toegekend op grond van het testament vervallen.
Eiseres verkrijgt in dit geval het legaat dus niet en de waarde daarvan komt daarom ook niet op grond van artikel 4:71 BW in mindering op de legitieme portie.
Dat artikel treedt alleen in werking bij daadwerkelijke verkrijging krachtens erfrecht en niet – zoals gedaagde lijkt te veronderstellen – bij de enkele toekenning van een legaat.
Van verwerping van het legaat als bedoeld in artikel 4:73 BW is ook geen sprake.
In de correspondentie heeft eiseres immers nooit aangegeven dat zij het legaat verwerpt.
Dat het legaat door het beroep op de legitieme portie nu is vervallen, is alleen het gevolg van de keuze van erflater om een dergelijke vervalbepaling in zijn testament op te nemen.
Uit het vorenstaande volgt dat imputatie van het legaat niet aan de orde is.
Dat betekent dat eiseres nog steeds aanspraak heeft op haar legitieme portie.
De omvang daarvan moet in deze procedure worden vastgesteld.
Anders dan gedaagde stelt, kan dan ook niet op voorhand gezegd worden dat eiseres geen belang heeft bij haar incidentele vordering tot het verstrekken van inlichtingen en bescheiden
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.