De Rechtbank Rotterdam heeft op 17 december 2021 uitspraak gedaan over de vraag hoe een gerechtelijke uitspraak uitgelegd diende te worden.

Eiser, betrokkene A en gedaagde zijn kinderen van erflater, overleden op 17 september 1999, hierna te noemen: ‘erflater’, en van erflaatster, overleden op 9 juni 2009, hierna te noemen: ‘erflaatster’.

Eiser, betrokkene A en gedaagde hadden nog een broer, maar hij is overleden.

Betrokkene B is zijn dochter.

Gedaagde is executeur van de nalatenschap van erflaatster en in die hoedanigheid in deze procedure betrokken.

In het testament van erflater van 11 februari 1982 staat, voor zover nu van belang:

“In alle gevallen van opeising van de hoofdsom ingeval van opeisbaarheid zal mijn echtgenote verplicht zijn aan mijn overige erfgenamen over het aan ieder van hen verschuldigde bedrag te betalen een eenmalige rente, gerekend tegen een percentage, gelijk aan dat wat bepaald is in artikel 21 II Successiewet 1956 of een daarvoor in de plaats getreden regeling. Deze rente is verschuldigd vanaf de dag van mijn overlijden tot die der voldoening van het verschuldigde”.

Erfrecht. Uitleg. Executeur. Boedelbeschrijving. Testament. Rentevergoeding. Uitleg van een rechterlijke uitspraak.

De rechter oordeelt als volgt.

Eiser stelt dat gelet op het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 18 december 2018 gedaagde als executeur in de nalatenschap van de erflaatster enkel gerechtigd was om de boedelbeschrijving aan te passen wat betreft de waarde van de woning te A.

Volgens gedaagde hanteert eiser daarbij een verkeerde lezing omdat uit de bewoordingen van het arrest weliswaar blijkt dat de waarde van die woning dient te worden aangepast in de boedelbeschrijving, maar ook dat hierdoor de vordering van de vier kinderen op de erflaatster opnieuw moet worden berekend.

Verder voert gedaagde aan dat het Hof duidelijk heeft bepaald dat twee handelingen verricht dienen te worden.

Allereerst dient de waarde van de woning te worden aangepast in de boedelbeschrijving en vervolgens zal de vordering van de vier kinderen op erflaatster opnieuw moeten worden berekend.

Het Hof overweegt expliciet dat de vordering van de kinderen opnieuw berekend dient te worden hetgeen gedaagde, in haar hoedanigheid van executeur, dan ook heeft gedaan.

Indien het Hof gedaagde had willen beperken tot enkel het aanpassen van de boedelbeschrijving, had het Hof dit expliciet in het arrest opgenomen, aldus nog steeds gedaagde.

Naar het oordeel van de kantonrechter is het Gerechtshof Den Haag duidelijk in de weergegeven rechtsoverweging van het arrest van 18 december 2018: In de boedelbeschrijving van 26 januari 2011 moet alleen de waarde van de woning worden aangepast:

“Deze boedelbeschrijving behoeft alleen aanpassing met betrekking tot de waarde van het onroerend goed te A (…)”.

 Ook staat daarin dat door deze ‘ene wijziging’ de vordering van de vier kinderen op erflaatster opnieuw moet worden berekend.

Dit betreft slechts ‘een geringe aanpassing’ van de boedelbeschrijving, verder niets.

En dan is het klaar.

De kantonrechter gaat dus niet mee in de uitleg die gedaagde aan de woorden geeft, namelijk dat, vrij vertaald, na aanpassing van de waarde van de woning alles weer open ligt.

Dat zegt het Hof namelijk simpelweg niet.

Als gedaagde dit eigenlijk al niet begrepen had, had zij dit wel zo móeten begrijpen.

Het verweer wordt daarom verworpen.

Eiser stelt dat als in de boedelbeschrijving de waarde van de woning aangepast wordt, zijn vordering op de nalatenschap van erflaatster € 17.798,56 bedraagt.

Gedaagde betwist de hoogte van dit bedrag niet.

Rente

Het testament van erflater is (ook) duidelijk: rente moet betaald worden vanaf de dag dat erflater overlijdt (en dat bleek 17 september 1999 te zijn) tot de dag waarop het bedrag wordt betaald.

Gedaagde betwist niet dat het in het testament bedoelde rentepercentage 6% is.

Gedaagde voert aan dat eiser, betrokkene A en C (waarvoor betrokkene B nu in zijn plaats komt) van hun recht op rente hebben afgezien.

Dat blijkt echter uit niets.

Dat nooit met erflaatster over rente is gepraat, maakt niet dat voorgenoemden van dat recht hebben afgezien en is aldus van geen enkel belang.

Waarom hadden eiser, betrokkene A het met hun moeder over deze rente móeten hebben?

Gedaagde legt dat niet uit, hetgeen wel op haar weg had gelegen.

Eiser stelt dat hij tot en met 31 december 2020 recht heeft op € 40.534,88 aan hoofdsom en rente.

Gedaagde betwist de berekening van dit bedrag niet.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.