Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 9 september 2021 in hoger beroep uitspraak gedaan over een verzoek tot vervallenverklaring van een testamentaire last.
Verweerster heeft de rechtbank namens A gevraagd het recht van verzoekster als erfgenaam vervallen te verklaren wegens niet-uitvoering van de last (artikel 4:131 BW).
De rechtbank heeft geoordeeld dat verzoekster niet heeft bewezen of aannemelijk heeft gemaakt dat zij heeft voldaan en nog voldoet aan de last en het recht van verzoekster als enig erfgenaam vervallen verklaard.
Verzoekster is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep.
Erfrecht. Last in testament. Tekortkoming in de uitvoering van de last door erfgenaam? Vervallenverklaring van een last. Toetsing.
De rechter oordeelt als volgt.
In artikel 4:131 leden 1-2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat het volgende:
- Een erfgenaam of legataris op wie een testamentaire last rust, verkrijgt zijn recht onder de ontbindende voorwaarde dat het wegens niet-uitvoering van de last wordt vervallen verklaard door de rechter.
- De vervallenverklaring kan door de rechter worden uitgesproken op verzoek van elke onmiddellijk bij de vervallenverklaring belanghebbende.
Het vervallen verklaren van een last op grond van artikel 4:131 lid 1 BW betreft een discretionaire bevoegdheid van de rechter.
De mogelijkheid van vervallenverklaring heeft de strekking van een sanctie.
De rechter moet beoordelen of de tekortkoming ernstig genoeg is om een vervallenverklaring te rechtvaardigen en is niet verplicht de vervallenverklaring uit te spreken.
Er kan bijvoorbeeld ook worden beslist dat met een spoedig herstel van het begane verzuim genoegen dient te worden genomen en ook een bij wijze van verweer ingediend verzoek om de last te wijzigen of op te heffen kan een reden zijn voor afwijzing van het verzoek.
De stelplicht en bewijslast dat de last niet is uitgevoerd rust op degene die verzoekt om vervallenverklaring.
Van de erfgenaam of legataris op wie de last rust mag worden verlangd de nodige inlichtingen te geven over de (wijze van) uitvoering van de last.
De last houdt in dat verzoekster met het door haar verkregen vermogen van erflater het lot en de leefomstandigheden van enkel- en meervoudig gehandicapte personen, in het bijzonder die van A, dient te verlichten.
Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat verzoekster zodanig ernstig is tekortgeschoten in het uitvoeren van die last dat dit het vervallen verklaren van die last tot gevolg moet hebben.
Verzoekster betwist de stelling van verweerster en licht dat uitgebreid toe; verweerster heeft niet aangeboden haar stelling te bewijzen.
Het hof kan zich voorstellen dat verweerster op basis van de gebrekkige en summiere informatie die verzoekster – na lang aandringen – aan verweerster heeft verstrekt, vraagtekens had bij de uitvoering van de last.
Ook in de procedure in eerste aanleg is naar het oordeel van het hof door verzoekster weinig en fragmentarisch informatie verstrekt.
Met name het betoog van C in hoger beroep maakt dat het hof de keuze van verzoekster om te wachten met de oprichting van een zorgboerderij tot het aflopen van de pachttermijn in 2025 begrijpelijk acht.
C heeft toegelicht dat er een diepgewortelde verstoorde verstandhouding was tussen de ouders van A en de familie van de vader van A en dat dat steeds een rol heeft gespeeld.
De ouders van A wilden niet dat de boerderij en de grond in de handen van de familie van de vader zou vallen.
Het was hun bedoeling dat er een zorgboerderij zou worden opgericht waarbij de boerderij en de grond bij elkaar zouden worden gehouden.
Hun zoon bezocht destijds ook een soort zorgboerderij.
Er hebben zich volgens C belangstellenden gemeld voor het oprichten van een dergelijke woongelegenheid.
Het hof begrijpt dat dit een kleinschalige woonvoorziening betreft voor mensen met een verstandelijke beperking.
Zodra de belangstellenden echter vernamen van de problemen met de pachter van de gronden om de boerderij trokken dezen zich terug.
Er is nauwelijks sprake van liquide vermogen; het vermogen zit in de gronden en opstal.
In de boerderij kunnen geen mensen verblijven, deze zal moeten worden gesloopt om plaats te maken voor een nieuw gebouw.
C is volgens verzoekster al geruime tijd in gesprek met een boer uit de omgeving.
In 2025, na beëindiging van de pacht voor een groot deel van de grond, wil verzoekster direct handen en voeten gaan geven aan het plan om een zorgboerderij te realiseren.
C, vrouw en zoon maken deel uit van de stichting; hij heeft een boer gevraagd of hij lid van de stichting wil worden.
Deze boer heeft oog voor de natuur en medemens en heeft twee zonen.
De boer en de zonen willen graag meewerken aan het realiseren van een zorgboerderij.
C heeft verder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep nader verduidelijkt op welke manier invulling werd gegeven aan de zorg voor A.
Hij en zijn echtgenote en zijn zoon hebben hier veel tijd in gestoken en ervoor gezorgd dat er voldoende financiële middelen waren om de medische kosten van A te voldoen en zijn dagelijks bestaan enigszins te veraangenamen.
Zij hebben met A met regelmaat een bezoek aan het ouderlijk huis gebracht.
Ook hebben zij persoonlijke contacten tussen A en de familie van zijn moederszijde gefaciliteerd.
Bij de oprichting op 4 juni 1996 door de ouders van A en C zijn de statuten opgesteld.
De oprichting had ten doel het lot en de leefomstandigheden van enkelvoudig en meervoudig gehandicapte personen, in het bijzonder die van A, te verlichten.
Getracht moest worden om dat doel te verwezenlijken onder meer door de exploitatie van de boerderij, en de daarbij behorende gronden alsmede het beheer daarvan.
Ten tijde van het overlijden van de vader van A was al bekend dat de pachtovereenkomst pas zou eindigen per mei 2025.
Het hof vindt het dan ook aannemelijk dat met de uitvoering van de wens van de ouders van A om met het geheel van de boerderij en de gronden over te gaan tot het realiseren van een zorgboerderij gewacht moet worden totdat de pachtovereenkomst eindigt.
C heeft met zijn betoog in hoger beroep voldoende nader onderbouwd dat de realisatie van de zorgboerderij tot nu toe niet goed mogelijk was.
Er wordt kennelijk ondertussen wel gewerkt aan plannen.
Zolang de pacht niet is geëindigd is het nog niet goed mogelijk om de plannen of een constructie voor een zorgboerderij, met de beoogde boer en zonen, al concreet te maken.
Anders dan de rechtbank is het hof niet van oordeel dat uit de toename van het saldo op de bankrekening van erflater bij de bank met een bedrag van circa € 48.000 kan worden afgeleid dat er voldoende financiële middelen zijn om in elk geval in bepaalde mate aan de testamentaire last te voldoen.
Die pachtpenningen behoren immers niet tot de nalatenschap van erflater, maar komen toe aan verzoekster als verpachter.
De last heeft daarop geen betrekking, wat uiteraard onverlet laat dat verzoekster deze pachtpenningen moet gebruiken overeenkomstig haar statutaire doelstelling.
Omdat niet is komen vast te staan dat verzoekster zodanig is tekort geschoten in de uitvoering van de last dat een vervallenverklaring van haar recht als erfgenaam gerechtvaardigd is, moet het verzoek van verweerster alsnog worden afgewezen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de vervallenverklaring van een last of opheffing van een legaat, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.