De Rechtbank Noord-Holland heeft op 27 augustus 2021 uitspraak gedaan over de vraag of er vergoedingsrecht bestond bij een nalatenschap, die onder uitsluitingsclausule verkregen was.

De vrouw heeft gesteld dat zij in 2014 een erfenis heeft ontvangen van (naar de rechtbank begrijpt: een geldbedrag van) € 125.000,– en daarnaast een muntenverzameling ter waarde van € 25.000,-.

Bij testament is bepaald dat een erfenis buiten de gemeenschap valt.

Blijkens de door de vrouw overgelegde stukken is de muntenverzameling geveild en bedroeg de opbrengst van de veiling € 25.831,14.

Het geldbedrag en de opbrengst van de veiling zijn op haar privérekening gestort en vervolgens gestort op een gezamenlijke rekening van partijen.

Ter zitting heeft de vrouw erkend dat het geld deels is aangewend voor het opstarten van ondernemingen van de man en dat daarnaast een deel van de erfenis is aangewend voor de dagelijkse gang van zaken en voor betaling van belastingaanslagen.

De vrouw heeft gesteld uit dien hoofde een vergoedingsrecht te hebben en stelt dat dit vergoedingsrecht het nominale bedrag van de erfenis betreft.

De man heeft verweer gevoerd en gesteld dat geen rekening dient te worden gehouden met een vergoedingsrecht van de vrouw.

Hij heeft gesteld dat al hetgeen de vrouw onder uitsluiting heeft ontvangen, is geïnvesteerd in de onderneming(en) van de man en dat de vrouw daarvan heeft meegeprofiteerd. Een deel is consumptief besteed door beide partijen.

Het huidige saldo van de gemeenschap laat een dergelijke reprise niet toe.

De man heeft ter zitting gesteld dat feitelijk stilzwijgend is afgesproken dat de ontvangen gelden uit de erfenis hen beiden tot voordeel zouden strekken en het karakter van een gift hadden.

Nu een aanzienlijk deel in de financiering van de onderneming is gestort en het overige consumptief en zonder restricties is aangewend, is de man van mening dat het onredelijk is dat een beroep wordt gedaan op een reprise.

Bovendien diende de vrouw aan de kosten van het huishouden bij te dragen en dat had zij met haar vermogen kunnen doen.

Mocht dit anders zijn, dan heeft de man een reprise op de vrouw van 50% met betrekking op de huishoudkosten, aldus de man.

Erfrecht. Huwelijksvermogensrecht. Nalatenschap verkregen onder een uitsluitingsclausule. Vergoedingsrecht? Bewijs.

De rechter oordeelt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw een erfenis onder uitsluiting heeft gekregen van een geldbedrag van € 125.000,– en daarnaast een muntenverzameling die is geveild en € 25.831,14 heeft opgebracht.

Beide bedragen zijn aanvankelijk op een op naam van de vrouw staande bankrekeningen gestort en vervolgens overgeboekt naar een gezamenlijke bankrekening.

Evenmin is in geschil dat een bedrag van € 67.350,- is geïnvesteerd in de BV en dat de erfenis voor het overige consumptief is aangewend voor de dagelijkse gang van zaken en betaling van belastingaanslagen.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of aan de vrouw een vergoedingsrecht toekomt op grond van het bepaalde in artikel 1:95 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek ten laste van de gemeenschap en zo ja, ter grootte van welk bedrag.

Voornoemde erfenis viel vanwege de uitsluitingsclausule in het testament van de erflater buiten de gemeenschap.

Het ontvangen geldbedrag en de opbrengst van de veiling van de muntenverzameling zijn (uiteindelijk) op de gemeenschappelijke rekening van partijen gestort en daarmee door vermenging tot het gemeenschapsvermogen gaan behoren.

Het wettelijk stelsel van titel 7 van boek 1 BW brengt dan mee dat de vrouw als gevolg van deze vermogensverschuiving in beginsel jegens de gemeenschap recht heeft op vergoeding van dat bedrag.

Voor zover uit het gemeenschapsvermogen (de gemeenschappelijke bankrekening waarop het totaalbedrag van € 150.831,14 is overgeboekt) gemeenschapsschulden zijn voldaan, brengt dat geen wijziging in het recht van de vrouw op vergoeding.

De gemeenschap is daarmee immers gebaat.

Zoals is overwogen, geldt het vermoeden dat de tijdens huwelijk uit het gemeenschapsvermogen voldane schulden gemeenschapsschulden zijn.

Daarbij verdient opmerking dat in geval van een huwelijksgemeenschap uitgaven in verband met consumptieve bestedingen zijn aan te merken als voldoening van gemeenschapsschulden.

Hetzelfde geldt voor uitgaven in verband met de kosten van de huishouding als bedoeld in artikel 1:84 BW, ongeacht hoe ingevolge deze bepaling de draagplicht ter zake van die kosten tussen de echtgenoten verdeeld is.

In dit geval, waarin uitgaven zijn gedaan van de gemeenschappelijke bankrekening van partijen, geldt dus het vermoeden dat deze uitgaven betrekking hebben gehad op gemeenschapsschulden, hetgeen meebrengt dat het vergoedingsrecht van de vrouw jegens de gemeenschap door die uitgaven niet aangetast is.

Het ligt op de weg van de andere echtgenoot, de man in dit geval, om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen op grond waarvan het vergoedingsrecht van de vrouw jegens de gemeenschap niet (of niet volledig) geldend kan worden gemaakt.

Dat is bijvoorbeeld het geval voor zover uit het gemeenschapsvermogen privéschulden van de vrouw zijn voldaan, of indien uitdrukkelijk of stilzwijgend is afgesproken dat de vrouw met betrekking tot bepaalde uitgaven ter zake van gemeenschapsschulden geen aanspraak op vergoeding heeft, ook al zijn die uitgaven geheel of ten dele gefinancierd uit aan haar toekomend vermogen.

Voor wat betreft de stelling van de man dat feitelijk stilzwijgend is afgesproken dat de ontvangen gelden uit de erfenis partijen beiden tot voordeel zouden strekken en het karakter van een gift hadden, zal de rechtbank dit verweer verwerpen.

De vrouw heeft dit betwist en de man heeft nagelaten zijn stellingen dienaangaande nader te onderbouwen.

Voor zover de man heeft willen betogen dat de vrouw aan hem op grond van haar verplichting om bij te dragen in de kosten van de huishouding nog een bedrag dient te vergoeden, overweegt de rechtbank dat denkbaar is dat de vrouw minder heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding dan waartoe zij in haar verhouding tot de man op grond van artikel 1:84 BW gehouden was.

In dat geval dient de vrouw een eventueel tekort in die bijdrage aan de man te vergoeden.

De man heeft echter niet gesteld dat de vrouw daarin is tekortgeschoten en de rechtbank zal om die reden aan dit verweer voorbijgaan.

De slotsom van het voorgaande is dat aan de vrouw een vergoedingsrecht toekomt.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over vergoedingsrechten in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.