De Rechtbank Midden-Nederland heeft op 7 juli 2021 uitspraak gedaan in een geschil tussen kinderen en stiefkinderen van twee nalatenschappen over de teruggave van goederen uit een van de nalatenschappen.

Eiser en zijn broer B zijn de zonen van mevrouw A. Na de dood van haar echtgenoot en vader van haar zonen, heeft zij gedurende ongeveer 25 jaar een affectieve relatie gehad met de heer C

Tijdens deze relatie hebben mevrouw A en de heer C langdurig samengewoond.

Verweerders zijn de kinderen uit diens eerdere huwelijk.

Mevrouw A en de heer C zijn in 2016 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, onder meer inhoudende een koude uitsluiting.

Zij hebben beiden een testament gemaakt waarin zij elkaar onterven en ieder hun eigen kinderen tot enig erfgenaam benoemen.

Mevrouw A is in 2018 overleden en de heer C in 2019.

Eiser en zijn broer B hebben de erfenis van hun moeder beneficiair aanvaard.

Eiser is executeur van deze nalatenschap.

Ook de kinderen van verweerders hebben de erfenis van hun vader beneficiair aanvaard.

Zij zijn vereffenaars van diens nalatenschap omdat geen ruimschootsverklaring kon worden afgegeven.

Na het overlijden van mevrouw A heeft de heer C tot zijn dood gewoond in de voormalige echtelijke woning, die eigendom was van mevrouw A, op grond van het hem bij testament toegekende vruchtgebruik, waaronder ook de inboedel viel.

Het geschil gaat onder meer over de afwikkeling van de nalatenschap van mevrouw A.

Erfrecht. Geschil tussen kinderen en stiefkinderen van twee nalatenschappen. Revindicatie van goederen. Bewijs en bewijslast.

De rechter oordeelt als volgt.

Eiser vordert primair teruggave van een groot aantal goederen, op straffe van een dwangsom.

Naar de rechtbank heeft begrepen richt deze vordering zich hoofdelijk tegen (met name) verweerders.

Als grondslag heeft eiser aangevoerd dat deze goederen behoren tot de nalatenschap van zijn moeder en door verweerder zonder recht of titel zijn weggenomen uit de woning van mevrouw A.

Dit zou gebeurd zijn na het overlijden van mevrouw A en/of het overlijden van de heer C.

De kinderen betwisten dat zij goederen vermeld op de lijst zonder recht of titel hebben weggehaald uit deze woning.

Na het overlijden van hun vader hebben zij alleen de goederen weggenomen die tot diens nalatenschap behoren of waarvan zij aannamen dat die tot diens nalatenschap behoren.

De door hen in de woning aangetroffen sierraden van mevrouw A hebben zij na haar dood bij een notaris afgegeven ten behoeve van eiser.

Veel van de opgesomde goederen zijn hen onbekend en zij weten niet of die aanwezig waren ten tijde van het overlijden van mevrouw A en evenmin waar deze zich zouden kunnen bevinden.

De kinderen hebben die goederen in ieder geval niet, zo verklaren zij.

Indien alsnog van enkelen van de door hen meegenomen goederen vast zou komen staan dat die behoren tot de nalatenschap van mevrouw A dan zullen zij die goederen aan eiser afgeven.

De rechtbank stelt voorop dat een vordering tot teruggave van goederen slechts toewijsbaar is als voldoende vaststaat dat de verweerder deze goederen onder zich heeft of daarover kan beschikken.

Van het overgrote deel van de goederen is dat niet het geval, omdat de kinderen betwisten dat zij deze goederen in bezit hebben.

De aankoopbonnen en foto’s die eiser in het geding heeft gebracht maken dat niet anders.

De rechtbank ziet geen grond om de bewijslast om te draaien of om vooralsnog, behoudens tegenbewijs, bewezen te achten dat de kinderen deze goederen, ondanks hun ontkenning, toch in bezit hebben.

Eiser heeft dit bepleit op de grond dat de heer C en later de kinderen onduidelijkheid hebben gecreëerd over wie wanneer welke eigendommen van mevrouw A uit de woning heeft gehaald, waardoor eiser in bewijsnood is komen te verkeren.

De verwijten richten zich onder meer tegen de heer C en behelzen dat hij na het overlijden van mevrouw A, tijdens zijn executele in haar nalatenschap, geen boedelbeschrijving heeft opgesteld en dat hij evenmin een beschrijving heeft gemaakt van de inboedel die onder het vruchtgebruik viel.

Verder wordt de heer C verweten dat hij eiser pas twee maanden nadat deze de executele had overgenomen, toegang heeft verschaft tot de voormalige echtelijke woning waarop het vruchtgebruik rustte, waardoor onduidelijk is wat er die twee maanden is gebeurd.

De kinderen wordt verweten dat zij pas drie weken na het overlijden van hun vader eiser toegang hebben verschaft tot de woning, waardoor onduidelijk is wat er in die drie weken met de eigendommen van mevrouw A is gebeurd, terwijl uit de eigen stellingen van de kinderen volgt dat zij in die periode de nodige zaken uit de woning hebben gehaald.

Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze verwijten, ook in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende om aan te nemen dat de heer C of de kinderen goederen van mevrouw A hebben ontvreemd en dat daarom de bewijslast niet meer integraal op eiser zou rusten.

Het feit dat de heer C en zijn kinderen in de gelegenheid waren goederen van mevrouw A weg te nemen wil niet zeggen dat zij dat (vermoedelijk) gedaan hebben.

Er zijn tal van andere redenen denkbaar waarom bepaalde goederen waarvan eiser veronderstelt dat deze tot de nalatenschap van zijn moeder behoren niet meer aanwezig waren op het moment van haar overlijden.

Het echtpaar C – A heeft zeer langdurig samengewoond afwisselend in twee huizen.

Er kunnen in die jaren allerlei mutaties hebben plaatsgevonden, er kunnen goederen zijn verkocht en/of, vervangen door andere goederen, er kunnen goederen zijn weggeschonken en er kunnen goederen verloren zijn gegaan.

Overigens vindt de rechtbank het verwijt aan de heer C dat hij tijdens zijn executele geen boedelbeschrijving heeft opgesteld niet terecht.

Nog geen week nadat hij zijn vrouw had verloren ontving hij een verzoekschrift tot zijn ontslag als executeur.

De omstandigheid dat eiser pas twee maanden na de dood van mevrouw A is toegelaten tot de woning acht de rechtbank, gezien de rouwperiode en de al zeer pijnlijk verstoorde verhoudingen niet onacceptabel lang of laakbaar.

Hetzelfde geldt voor de drie weken na de dood van de heer C.

Van een aantal goederen staat vast dat verweerders deze uit de voormalige echtelijke woning heeft meegenomen.

Deze goederen staan opgesomd in de antwoordakte van 23 juni 2021.

De kinderen hebben ter zitting toegezegd deze goederen aan eiser te zullen afgeven, indien mocht blijken dat deze goederen uitsluitend eigendom waren van mevrouw A.

Van de meeste goederen hebben zij dat echter betwist.

Zo stellen zij dat de goederen waarvan onduidelijk is van welke echtgenoot die waren, geacht worden gezamenlijk eigendom te zijn geweest.

Dat is een standpunt dat steun vindt in de huwelijkse voorwaarden, waarin het echtpaar C – A dit uitdrukkelijk is overeengekomen.

Verder mag worden aangenomen dat goederen die staan op de staat van aanbrengsten van de heer C van hem waren.

Dit zijn zeer lange door beide echtelieden ondertekende lijsten.

Gelet op de lengte van die lijsten mag worden aangenomen dat zij uitputtend zijn.

Op een van die lijsten staat ook dat de meeste artikelen op de lijst aan de onderzijde voorzien zijn van een kleine ronde rode sticker.

Goederen waarop een dergelijke sticker is aangetroffen worden dus geacht van de heer C te zijn geweest.

Ook mag worden aangenomen dat goederen die niet op de staat van aanbrengsten van de heer C staan van mevrouw A waren.

In de huwelijkse voorwaarden staat als haar staat van aanbrengsten immers: de overige roerende zaken, zich bevindende in de woningen in Nederland en Frankrijk.

Dit geldt echter alleen voor die goederen die ten tijde van de huwelijksvoltrekking aanwezig waren en niet voor later aangeschafte goederen.

Voor die later aangeschafte goederen moet gekeken worden wie die heeft gekocht en aan wie die geleverd zijn.

Doorslaggevend hiervoor is niet uit wiens vermogen die goederen zijn betaald.

Daarnaast geldt dat de goederen die afkomstig zijn uit het familievermogen van de familie eigendom waren van mevrouw A.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.