Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 13 juli 2021 uitspraak gedaan over de vraag of er een rechtmatig belang bestond voor de inzage of de afgifte van stukken uit de nalatenschap ter bepaling van erfrechtelijke aanspraken.
Voor de beoordeling van de incidentele vordering gaat het hof uit van de navolgende vastgestelde feiten:
Partijen zijn broers van elkaar.
Zij zijn alle drie in gelijke delen erfgenaam van erflater, de vader van partijen die is overleden op 26 augustus 2017.
Erflater heeft een testament gemaakt op 18 oktober 1999.
Het testament is opgemaakt onder het oude erfrecht en in het testament komt een ouderlijke bedoelverdeling voor ten gunste van de voor-overleden echtgenote van erflater.
Appellant vordert in dit incident op grond van artikel 843a Rv veroordeling van geïntimeerde tot verstrekking aan appellant van:
- de bankafschriften van de bankrekeningen bij de Rabobank, ING Bank en de ABN AMRO bank die behoren tot de nalatenschap van erflater over de periode vanaf 1 januari 2017 tot en met heden;
- de aanslagen en correspondentie gericht aan erflater dan wel zijn erfgenamen en/of die betrekking hebben op goederen behorend tot de nalatenschap, waaronder de tot de nalatenschap behorende woning te A, vanaf 1 januari 2017 tot en met de datum van verdeling van de nalatenschap;
- de afspraken die zijn gemaakt met gebruikers/pachters ten aanzien van het gebruik van het tot de nalatenschap behorende perceel cultuurgrond te A ;
- documenten en afspraken met betrekking tot de vordering van de Staat der Nederlanden ad € 16.500,00 inzake de grondverwerving van de ruimte voor de rivier;
- afschriften van declaraties en facturen van schuldeisers van de nalatenschap van erflater waaronder de nota’s die betrekking hebben op de uitvaart van erflater ;
- de agenda’s van erflater over de jaren 1985 tot en met 2017;
- informatie over de plaats waar de trouwbijbel van appellant, geboren in 1899 te A, is gebleven, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte van een dag dat geïntimeerde in gebreke blijft hieraan te voldoen.
Erfrecht. Verdeling van een nalatenschap. Informatieverstrekk8ing. Recht van erfgenamen op informatie over de omvang en waarde van de nalatenschap. Toetsing. Rechtmatig belang?
De rechter oordeelt als volgt.
Artikel 843a Rv
Voor zover appellant zijn incidentele vordering baseert op artikel 843a Rv stelt het hof het volgende voorop.
Artikel 843a Rv ziet niet op een algemeen recht op inzage, afschrift of uittreksel.
Een vordering op grond van artikel 843a Rv kan slechts worden toegewezen indien degene van wie inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden wordt gevorderd deze bescheiden tot zijn beschikking of onder zijn berusting heeft en daarnaast voldaan is aan alle in het eerste lid van dat artikel genoemde voorwaarden, te weten:
- de eiser of verzoeker dient een rechtmatig belang te hebben;
- de vordering dient betrekking te hebben op bepaalde bescheiden en
- de bescheiden dienen een rechtsbetrekking te betreffen waarin de eiser of verzoeker of zijn rechtsvoorganger partij is.
Verder moet zich, indien de belanghebbende zich daarop beroept, geen van de drie in de leden 3 en 4 vervatte uitzonderingen voordoen.
Het hof overweegt ten aanzien van de door appellant onder a tot en met e gevraagde stukken het volgende.
Appellant legt aan zijn vordering ex artikel 843a Rv ten grondslag dat hij recht en belang heeft bij het vaststellen van de omvang en de waarde van de nalatenschap.
Als erfgenamen zijn partijen deelgenoten in de nalatenschap van erflater.
De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen mee dat zij over en weer recht hebben op informatie over de omvang en samenstelling van de nalatenschap (artikel 3:166 lid 3 BW).
Hieruit volgt dat op een erfgenaam de verplichting rust aan zijn mede-erfgenamen inzage te geven in de gegevens die hij onder zich heeft, voor zover die mede-erfgenaam die gegevens nodig heeft voor het bepalen van zijn erfrechtelijke aanspraken.
Deze informatieaanspraak verschilt niet wezenlijk van het bepaalde in artikel 4:16 lid 4 BW dat geldt bij een wettelijke verdeling van een nalatenschap als bedoeld in artikel 4:13 BW en bepaalt dat erfgenamen tegenover elkaar recht hebben op inzage in en afschrift van alle bescheiden en gegevensdragers, die zij voor de vaststelling van hun aanspraken op de nalatenschap nodig hebben.
Uit de bewoordingen van artikel 4:16 lid 4 BW (‘alle bescheiden en gegevensdragers’) kan worden afgeleid dat de te verstrekken informatie zo ruim mogelijk moet worden uitgelegd.
Naar het oordeel van het hof heeft datzelfde te gelden voor de op grond van artikel 3:166 lid 3 BW te verkrijgen informatie.
Naar het oordeel van het hof is in het voorgaande het rechtmatig belang van appellant bij de door hem gevraagde stukken onder a tot en met e in zoverre gegeven.
Dat betekent echter nog niet dat zijn vordering op die punten toewijsbaar is.
Geïntimeerde heeft in eerste aanleg al diverse stukken overgelegd met betrekking tot de tot de nalatenschap behorende woning en cultuurgrond.
Bij memorie van antwoord in dit incident hebben geïntimeerden daarnaast afschriften van de door appellant genoemde bankrekeningen, facturen van de begrafeniskosten en een getekende overeenkomst met de Staat der Nederlanden met bijlagen in het geding gebracht.
Geïntimeerden betwisten dat zij naast deze stukken nog beschikken over andere stukken die relevant zijn voor de afwikkeling van de nalatenschap en betwisten iets af te weten over afspraken over het gebruik van het perceel cultuurgrond.
Appellant heeft geen indicatie gegeven waaruit volgt dat geïntimeerden naast de al overgelegde stukken nog over andere informatie beschikt/beschikken die voor appellant relevant is voor het doel waarvoor hij deze verlangt.
Het hof gaat er dan ook uit dat geïntimeerden alle informatie die zij beschikbaar hadden al hebben verstrekt.
Gelet hierop is dus niet aannemelijk dat zij meer stukken kunnen overleggen dan zij al hebben gedaan en is de vordering wat betreft de onder a tot en met e genoemde stukken/informatie niet toewijsbaar.
De vordering stuit wat betreft de onder f gevraagde stukken (agenda’s van erflater over de jaren 1985 tot en met 2017) al af op het ontbreken van rechtmatig belang.
Appellant licht niet, althans onvoldoende toe in hoeverre deze agenda’s relevant kunnen zijn voor zijn rechtspositie in dit hoger beroep.
De enkele interesse in een stuk of het enkele vermoeden dat de opgevraagde stukken mogelijk in de procedure van pas kunnen komen zijn niet voldoende voor het aannemen van een rechtmatig belang.
Daar komt bij dat geïntimeerden betwisten beschikking te hebben over agenda’s van erflater.
Appellant licht ook hier niet nader toe op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat er (nog) agenda’s van erflater over de betreffende periode zouden moeten zijn, laat staan dat deze agenda’s in het bezit zijn van geïntimeerden.
Uit het voorgaande volgt dat de vordering van appellant op grond van artikel 843a Rv geheel zal worden afgewezen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het recht op informatie over een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.