De Rechtbank Noord-Holland heeft op 24 december2020 uitspraak gedaan over een verzoek tot wraking van een in een vereffening benoemde rechter-commissaris.

Op 10 december 2016 is erflater overleden.

Na verwerping van zijn nalatenschap door de overige erfgenamen, is verzoeker enig erfgenaam.

Verzoeker is bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 13 december 2016 in staat van faillissement verklaard.

Bij beschikking van 28 december 2017 is op verzoek van de curator in het faillissement van verzoeker mr. D benoemd tot vereffenaar in de nalatenschap van erflater.

Tot rechter-commissaris is de rechter benoemd.

Belanghebbende in deze procedure is mr. D, vereffenaar in de vereffening van de nalatenschap van erflater (hierna: de vereffenaar).

Erfrecht. Procesrecht. Vereffening. Wraking. Verzoek tot wraking van een in een vereffening benoemde rechter-commissaris. Partijdigheid? Vooringenomenheid?

De rechter oordeelt als volgt.

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (de zogenaamde subjectieve toets).

Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de te vermijden schijn van partijdigheid van belang is.

Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid (de zogenaamde objectieve toets).

Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend.

De wrakingskamer stelt voorop dat verzoeker, gelet op het verhandelde ter zitting van 10 december 2020, mede als grond voor wraking aanvoert dat de rechter de vereffenaar heeft opgedragen om te handelen in strijd met de beslissing van de rechtbank van 28 oktober 2020.

Zo houdt de toelichting op het wrakingsverzoek onder meer in “De vereffenaar wil niet voldoen aan het bepaalde in de beschikking van uw rechtbank van 28 oktober 2020 en de R-C draagt hem op dat ook niet te doen” en “bereid is de vereffenaar te faciliteren in zijn handelingen die in strijd zijn met de wet. Zij wil hem duidelijk faciliteren bij het geheim houden van stukken. De R-C draagt in deze beschikking de vereffenaar op om in strijd te handelen met de beschikking van 28 oktober 2020, van haar eigen rechtbank”.

In de beschikking van 4 november 2020 valt dit echter niet te lezen.

Hierin staat immers: “Zo lang het hof niet anders heeft beslist, zie ik geen aanleiding om u te gelasten om, in afwijking van mijn beschikking van 12 maart 2020, de rekening en verantwoording aan [verzoeker] of diens raadsman af te geven.” 

De wrakingskamer stelt voorts vast dat de beslissing van 28 oktober 2020 niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

Daarmee mist deze wrakingsgrond feitelijke grondslag en faalt deze derhalve.

De wrakingskamer overweegt voor het overige als volgt.

Anders dan verzoeker betoogt is een in een vereffening benoemde rechter-commissaris niet ondergeschikt aan de rechtbank.

De rechter-commissaris is benoemd door de rechtbank uit haar leden om toezicht te houden op de vereffening en heeft uit dien hoofde een eigen verantwoordelijkheid en eigen bevoegdheden.

De enkele omstandigheid dat tegen beslissingen van de rechter-commissaris hoger beroep openstaat bij de rechtbank, betekent niet dat de rechter-commissaris om die reden als ondergeschikt moet worden gezien.

Bij (in kracht van gewijsde gegane) beschikking van 12 maart 2020 heeft de rechter onder meer het verzoek van verzoeker om de vereffenaar op te dragen nadere inlichtingen te verschaffen, afgewezen wegens gebrek aan belang, kort gezegd omdat de schulden hoger zijn dan het boedelsaldo en het boedelsaldo in zijn geheel aan de Staat moet worden afgedragen wegens de criminele herkomst hiervan.

Op 30 juli 2020 heeft de rechter de vereffening voorgedragen aan de rechtbank voor opheffing op de voet van artikel 4:209 BW.

Daarbij heeft de rechter overwogen dat verzoeker geen belang heeft bij inzage in een boedelbeschrijving en/of een uitdelingslijst.

In het feit dat de rechtbank in haar tussenbeslissing van 28 oktober 2020 heeft bepaald dat de vereffenaar toch stukken aan verzoeker moet overleggen, heeft de rechter – nadat de vereffenaar contact met haar had gezocht – aanleiding gezien de vereffenaar bij beschikking van 4 november 2020 op te dragen hoger beroep in te stellen tegen voormelde beslissing van 28 oktober 2020 en heeft zij voorts overwogen geen aanleiding te zien om de vereffenaar te gelasten om, in afwijking van haar beschikking van 12 maart 2020, stukken aan verzoeker af te geven, zo lang het hof niet anders heeft beslist.

Het oordeel over de juistheid van de aanwijzing van de rechter van 4 november 2020 is niet aan de wrakingskamer.

Tegen deze rechterlijke beslissing staat hoger beroep bij de rechtbank open en verzoeker heeft dit ook ingesteld.

Gelet op de eerdere beschikkingen van de rechter, het feit dat de beslissing van de rechtbank van 28 oktober 2020 op haar voordracht is gegeven en gezien de taak en de eigen verantwoordelijkheid van de rechter als rechter-commissaris, is de aanwijzing van 4 november 2020 niet onbegrijpelijk en kan zodoende geen aanwijzing opleveren dat de rechter ten aanzien van verzoeker een vooringenomenheid koestert, dan wel dat de bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter ten aanzien van hen vooringenomenheid koestert objectief gerechtvaardigd is.

De wrakingsgrond faalt derhalve.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, geen grond opleveren voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, en vormen derhalve geen grond voor wraking.

De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het procederen in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.