Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Noord-Nederland heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de verdeling van een nalatenschap, over het recht op inzage in de administratie en bescheiden van de nalatenschap en over het afleggen van rekening en verantwoording.
Partijen zijn elkaars broers en zus.
De ouders van partijen zijn met elkaar in gemeenschap van goederen gehuwd geweest. Moeder is overleden op 28 februari 2004. Vader is overleden op 1 juni 2011.
Vader en moeder hebben bij nagenoeg gelijkluidende testamenten van 9 maart 1978 beschikt over hun nalatenschappen, waarbij zij elkaar al de roerende en onroerende zaken hebben gelegateerd, onder de verplichting om de waarde daarvan in te brengen in hun nalatenschap, alsook het vruchtgebruik over hun gehele nalatenschap. Het testament van vader heeft geen effect gesorteerd als gevolg van het vooroverlijden van moeder. De nalatenschappen zijn zuiver aanvaard.
Inzage en afgifte van de administratie van de nalatenschap
Volgens de advocaat van erfgenaam B is de administratie van vader gezamenlijke eigendom van de erfgenamen, zodat op die grond erfgename A gehouden is om aan erfgenaam B inzage daarin te verstrekken.
Volgens erfgenaam A is de gehele administratie van vader gedurende ruim twee jaren onder de notaris geweest en heeft erfgenaam B inzage hierin gehad. Bovendien zijn alle relevante stukken in het geding gebracht, waaronder overzichten van de spaarrekening. De erfgenaam B heeft voldoende gelegenheid gehad om de administratie te raadplegen.
De rechter oordeelt hierover als volgt.
Artikel 843a Rv bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift en uittreksel van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking kan vorderen van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft.
De eis van bepaaldheid brengt onder meer mee dat met voldoende zekerheid moet kunnen worden vastgesteld dat het stuk waarvan inzage, afschrift of uittreksel wordt verlangd, bestaat. Het moet voldoende duidelijk zijn om welke bescheiden het gaat en om welke reden zij van belang zijn en dat de gevorderde inzage niet verder strekt dan noodzakelijk is.
Lid 4 van artikel 843a Rv geeft een uitzondering op dit recht, indien degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft aannemelijk maakt dat er gewichtige redenen zijn om niet aan die vordering te voldoen of indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat ook zonder de gevorderde gegevens een behoorlijke rechtsbedeling is gewaarborgd.
Erfgenaam B heeft als mede-erfgenaam rechtmatig belang bij inzage van de administratie gelet op zijn stelling dat erfgenaam A gelden aan het vermogen van erflaatster heeft onttrokken (gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 december 2016, GHARL:2016:10133). Die inzage heeft erfgenaam B echter al gehad. Erfgenaam B heeft niet gespecificeerd ten aanzien van welke onderwerpen in het bijzonder nogmaals inzage benodigd is. Daarmee heeft de vordering het karakter van een ontoelaatbare “fishing expedition”.
Verder neemt de kantonrechter in aanmerking dat in het kader van onderhavige procedure de nodige stukken (waaronder bankafschriften, belastingaangiften en jaarstukken) in het geding zijn gebracht. Onder deze omstandigheden is erfgenaam A naar het oordeel van de rechter niet gehouden is om erfgenaam B opnieuw inzage te verstrekken.
Het afleggen van rekening en verantwoording
Volgens de advocaat van erfgenaam B heeft erfgenaam A ondeugdelijk beheer over de bankrekeningen van vader en moeder gevoerd. Na het overlijden van moeder is de hoogte van het opgenomen huishoudgeld gestegen. Erfgenaam B verdenkt erfgenaam A verder van oneigenlijk gebruik van de bankpas van vader. Zo zijn er blijkens de overgelegde bankafschriften kort na de datum van overlijden nog diverse afschrijvingen gedaan en een bankopname, die evident niet ten behoeve van vader kunnen zijn geweest.
Volgens erfgenaam A heeft hij nooit de financiële belangen van zijn ouders behartigd. Voor de boekhouding kregen de ouders bijstand van een vriend en voor de belastingaangifte van een administratiekantoor. Wel hebben de ouders op enig moment de echtgenote van erfgenaam A gemachtigd ter zake van hun bankrekeningen. Erfgenaam A is dan ook niet gehouden om rekening en verantwoording af te leggen over de periode dat zijn ouders nog leefden. Er zijn bovendien geen onregelmatigheden in de administratie aangetroffen.
De rechter oordeelt hierover als volgt.
Volgens vaste rechtspraak kan een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden.
Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht (onder meer Hoge Raad, 9 mei 2014, HR:2014:1089, NJ 2014, 251). Naar het oordeel van de kantonrechter heeft erfgenaam B onvoldoende gesteld ten aanzien van het bestaan van een dergelijke verhouding tussen erfgenaam A enerzijds en de ouders anderzijds. Het enkele feit dat de echtgenote van erfgenaam A op enig moment door hen gemachtigd is, acht de rechter daartoe onvoldoende.
De verdeling van de nalatenschappen door de rechter
De rechter constateert dat erfgenaam A een bevel tot verdeling vordert (ex artikel 3:178 lid 1 BW), terwijl erfgenaam B een verdeling door de rechter wenst te bewerkstelligen (ex artikel 3:185 lid 1 BW).
Nu uit de stellingen van de erfgenamen volgt dat er sprake is van onenigheid tussen de deelgenoten over de verdeling en niet zozeer van een onwillige deelgenoot, ligt het meer voor de hand om dat op de voet van artikel 3:185 lid 1 BW tot vaststelling van de verdeling wordt overgegaan.
De erfgenamen zijn niet ingegaan op de samenstelling en de omvang van de nalatenschap van moeder. De rechter is van oordeel dat dit in het midden kan blijven, omdat erfgenamen thans gezamenlijk, elk voor een derde deel, tot beide nalatenschappen gerechtigd zijn. Met verdeling van hetgeen na het overlijden van vader aan bezittingen en schulden resteert, kan de nalatenschap van moeder dus eveneens verdeeld worden geacht.
Met inachtneming van hetgeen hiervoor overwogen en beslist is, zal de rechter de verdeling van de nalatenschappen van vader en moeder zelf bepalen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over de verdeling van een nalatenschap door de rechter, over inzage en afgifte van bescheiden over de nalatenschap of over het afleggen van rekening en verantwoording in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.