Van onze advocaat kindsdeel. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 7 november 2017 uitspraak gedaan over de zekerheidstelling voor de erfdelen in een nalatenschap. Verzorgingsbehoefte. Onvoldoende vermogend? Dwangsom.
Het hof overweegt dat appellante voorshands in staat geacht moet worden om maandelijks – ingaande per 1 [maand] 2017 – vóór het einde van elke maand, een bedrag van bijvoorbeeld € 350,= te storten op een bankrekening (en daar aan te houden) totdat zij aan haar zekerheidstellingverplichting heeft voldaan, dat een daartoe strekkende veroordeling kan worden versterkt met een dwangsom van € 100,= voor elke maand dat zij achterstallig is met de voldoening, met een maximum van € 15.000,=, en dat achterstallige termijnen binnen de termijn van twee maanden na betekening van dit arrest kunnen zijn gestort.
Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich hieromtrent uit te laten. Van die gelegenheid hebben partijen gebruik gemaakt.
De advocaat van appellante heeft in haar akte vermeld dat zij onvoldoende vermogend is om maandelijks een bedrag te storten als door het hof overwogen en dat haar inkomsten achterblijven bij haar uitgaven.
Volgens geïntimeerden blijkt uit deze akte dat appellante niet bereid is aan haar verplichtingen te voldoen. Volgens hen ontbreekt iedere onderbouwing voor het standpunt van appellante dat zij onvoldoende vermogend is om aan het voorstel van het hof te voldoen.
Zekerheidstelling voor erfdelen. Verzorgingsbehoefte. Onvoldoende vermogend? Dwangsom.
Het hof overweegt hierover het volgende. In haar akte miskent appellante] dat op haar reeds geruime tijd de verplichting rust om zekerheid te stellen.
Haar afwijzing van de door het hof voorgestelde aanpak is, zoals geïntimeerden terecht aanvoeren, zonder enige onderbouwing gebleven. Geïntimeerden hebben tegen die aanpak van hun kant geen bezwaren aangevoerd. Het hof zal daarom dienovereenkomstig beslissen. De tweede grief van appellante slaagt in zoverre dat deze vorm van zekerheidstelling zal worden gevolgd; voor het overige wordt de grief verworpen.
Bij deze stand van zaken heeft appellante te gelden als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, zodat de proceskostenveroordeling in eerste aanleg in stand blijft en appellante in hoger beroep wordt veroordeeld in de kosten.
Het hof veroordeelt appellante ter uitvoering van het vonnis van 14 september 2016 zekerheid te stellen aangaande de erfdelen in de nalatenschap van vader door met ingang van 1 [maand] 2017 maandelijks voor het einde van de maand een bedrag van € 350,= te storten op een hiertoe geopende bankrekening, en daarop aan te houden, totdat zij aan haar zekerheidstellingverplichting uit hoofde van dat vonnis heeft voldaan;
Het hof veroordeelt appellante de achterstallige termijnen vanaf 1 [maand] 2017 binnen twee maanden na betekening van dit arrest op de hiervoor bedoelde bankrekening te storten en daarop aan te houden;
Het hof bepaalt dat appellante een dwangsom verbeurt van € 100,= voor iedere maand of gedeelte daarvan dat zij niet voldoet aan de vermelde veroordelingen, met een maximum van € 15.000,= aan te verbeuren dwangsommen;
Het hof verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over zekerheidsstelling van het kindsdeel of de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.