Van onze advocaat erfrecht. De Rechtbank Noord-Holland heeft op 18 januari 2017 uitspraak gedaan over de vraag of erflater wilsonbekwaam was ten tijde van het passeren van het testament.
Uit artikel 3:34 BW volgt dat een testament dat is opgemaakt terwijl de testateur onder invloed van een geestelijke stoornis verkeerde, nietig is. Evenwel moet degene die zich beroept op die geestelijke stoornis stellen en zo nodig bewijzen dat de geestelijke stoornis een redelijke waardering van de bij de uiterste wil betrokken belangen belette en het testament onder invloed van die stoornis tot stand is gekomen.
De rechter dient bij de toetsing hiervan terughoudendheid te betrachten nu het vooral de taak van de notaris is om ten tijde van het passeren van het testament te controleren of de testateur op dat moment wilsbekwaam is. Dat betekent dat aan de stellingen van eiseres omtrent de wilsonbekwaamheid van erflater hoge eisen gesteld mogen worden.
De advocaat van eiseres heeft in dat verband gewezen op de volgende omstandigheden: – erflater heeft in een periode van een half jaar voor zijn overlijden tot drie maal toe een testament laten opmaken, terwijl het laatste testament circa twee weken voor zijn overlijden is opgemaakt notabene door een andere notaris dan de notaris die dat daarvoor had gedaan; – erflater was ten tijde van het passeren van het laatste testament ernstig ziek en daardoor waren ook zijn geestelijke vermogens beperkt, hetgeen ook wel blijkt uit de omstandigheid dat hij vlak voor opname in het hospice meende te zijn vergiftigd; – de passerend notaris heeft het zogenoemde stappenplan niet gebruikt; – de andere twee kinderen van erflater oefenden sterke druk op hem uit.
De advocaat van gedaagde heeft ter onderbouwing van zijn verweer dat erflater wilsbekwaam was ten tijde van het passeren van het laatste testament, verwezen naar de brief van de notaris van 5 maart 2015. Voorts heeft hij ter comparitie verklaard dat hij erflater in het hospice meerdere malen heeft bezocht en dat erflater tot op het laatst helder van geest was en goed wist wat hij wilde.
Erflater wilsonbekwaam ten tijde van passeren testament?
De rechtbank is van oordeel dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden los van elkaar maar ook in samenhang bezien, haar stelling dat erflater ten tijde van het passeren van het laatste testament niet wilsbekwaam was, niet kunnen dragen. Vast staat dat eiseres erflater in de laatste drie maanden van zijn leven niet heeft kunnen bezoeken en dus ook niet uit eigen wetenschap kan verklaren over zijn geestelijke toestand ten tijde van het passeren van het laatste testament.
Dat erflater ten tijde van zijn opname in het hospice mogelijk verward was, blijkend uit zijn vrees te zijn vergiftigd, maakt nog niet dat hij ten tijde van het passeren van het laatste testament, geruime tijd later, wilsonbekwaam was. Ook de omstandigheid dat erflater terminaal ziek was, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat hij wilsonbekwaam was toen hij het laatste testament tekende. Uit de verklaringen van gedaagde en van de passerend notaris blijkt veeleer het tegendeel: eiseres was helder en overzag de consequenties van zijn besluiten. Het stappenplan waarnaar eiseres verwijst, moet alleen door de notaris worden toegepast indien deze aanleiding heeft om te veronderstellen dat erflater niet wilsbekwaam was en, zoals uit zijn verklaring blijkt, die aanleiding had de notaris nu juist niet. De omstandigheid dat erflater in een periode van een half jaar voor zijn overlijden meerdere malen een nieuw testament heeft opgemaakt, zegt mogelijk iets over de veranderlijkheid van zijn wil maar niet dat erflater wilsonbekwaam was.
Ten slotte valt weliswaar niet uit te sluiten dat erflater onder sterke druk van zijn andere twee dochters heeft gestaan, maar ook daaruit valt niet zonder meer af te leiden dat erflater niet wilsbekwaam was.
Zoals hiervoor overwogen, moet voor een geslaagd beroep op nietigheid vast komen te staan dat sprake was van een geestelijke stoornis bij erflater en dat hij onder invloed daarvan zijn laatste testament heeft opgemaakt. Weliswaar kan uit de door eiseres aangevoerde omstandigheden (mogelijk) worden afgeleid dat erflater onder invloed van zijn andere twee dochters en de bij hem ontstane gedachte dat eiseres zijn dochter niet was, zijn laatste testament heeft opgemaakt, maar daarmee is van een geestelijke stoornis of van het onder invloed daarvan opmaken van het testament nog niet gebleken. De conclusie is dan ook dat het beroep op nietigheid faalt.
Tegen de subsidiaire vordering van eiseres is geen verweer gevoerd, zodat deze voor toewijzing gereed ligt. In deze procedure moet, nu van het tegendeel niet is gebleken, ervan worden uitgegaan dat eiseres de afstammeling van erflater is en door de wet als erfgenaam tot de nalatenschap is geroepen. Uit dien hoofde kan zij, als legitimaris ex artikel 4:63 BW, aanspraak maken op de legitieme portie.
Ook de vordering tot het verstrekken van inzage in relevante gegevens is toewijsbaar. Uit artikel 4:78 BW volgt immers dat de legitimaris die niet erfgenaam is (i.c. eiseres) jegens (onder meer) de executeur aanspraak kan maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die zij voor de berekening van haar legitieme portie behoeft en dat de executeur haar desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen verstrekt.
Onder die bescheiden behoort in elk geval een deugdelijke boedelbeschrijving die gedaagde uit hoofde van zijn executeurschap hoe dan ook had moeten maken (zie artikel 4:146 BW). Met het uitsluitend over leggen van enkele bankafschriften is niet aan de verplichtingen zoals bedoeld in de artikelen 4:78 en 4:146 BW voldaan.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de nietigheid van een testament, over de wilsbekwaamheid van de erflater, of over de berekening van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat erfrecht op 020-3980150.