Van onze advocaat erfrecht. Het Gerechtshof Den Haag heeft op 2 augustus 2017 uitspraak gedaan over het verzorgingsvruchtgebruiken van artikel 4:29 en 4:30 BW en over de verzorgingsbehoefte. De executeurs zijn tot medewerking van de vestiging van het vruchtgebruik verplicht.
In geschil is of verweerders jegens verzoekster verplicht zijn tot medewerking aan de vestiging van de rechten van vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 4:29 en 4:30 Burgerlijk Wetboek (BW).
Volgens verweerders is de erfenis van de erflater onder het voorrecht van boedelbeschrijving (beneficiair) aanvaard. Op grond van het bepaalde in artikel 4:149 lid 1 sub d van het Burgerlijk Wetboek (BW) eindigt de taak van een executeur wanneer de nalatenschap moet worden vereffend overeenkomstig de artikelen 4:202 e.v. BW.
De nalatenschap wordt niet vereffend en de taak van de executeur eindigt niet, indien er een tot voldoening van de opeisbare schulden en legaten bevoegde executeur is en deze kan aantonen dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen (a contrario artikel 4:202 lid 1 letter a BW). De executeurs hebben, daarnaar bevraagd ter zitting van het hof, verklaard dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots voldoende zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen. Verzoekster heeft dat niet betwist.
Nu ook overigens niet is gebleken dat de goederen daarvoor onvoldoende zijn, betekent dit dat de hiervoor vermelde uitzondering van toepassing is op het bepaalde in artikel 4:149 lid 1 sub d BW. Uit het vorenstaande volgt dat thans de executeurs, met uitsluiting van ieder ander, bevoegd zijn de erfgenamen in en buiten rechte te vertegenwoordigen (artikel 4:145 lid 2 BW).
Weliswaar heeft de advocaat van verzoekster nog aangevoerd dat de beneficiaire aanvaarding is gedaan na een zuivere aanvaarding, maar indien dat het geval zou zijn geweest – hetgeen verweerders betwisten – dan zouden nog steeds de executeurs bevoegd zijn om de erfgenamen in en buiten rechte te vertegenwoordigen.
Het is immers noch gesteld noch gebleken dat de taak van de executeurs is geëindigd op een van de (andere) gronden als bedoeld in artikel 4:149 lid 1 BW. Het hof gaat dan ook uit van twee executeurs wier taken niet zijn geëindigd. Dat betekent dat ter zake van de onderhavige aanspraken van verzoekster, die zijn gericht jegens de erfgenamen, alleen de executeurs als procespartij kunnen optreden. Het hof heeft het bovenstaande met verzoekster en verweerders besproken ter zitting en partijen hebben zich verenigd met de vorenstaande conclusie van het hof.
De advocaat van verzoekster voert – kort samengevat – aan dat zij onder aanvoering van gronden gemotiveerd aannemelijk heeft gemaakt dat zij met inachtneming van de (niet limitatieve) opsomming van de elementen in artikel 4:33 lid 5 BW behoefte heeft aan het vruchtgebruik als bedoeld in artikel 4:30 BW. Wat het vruchtgebruik als bedoeld in artikel 4:29 BW betreft, heeft verzoekster – kort samengevat – aangevoerd dat zij de betwisting van haar verzorgingsbehoefte door de verweerders eveneens met inachtneming van artikel 4:33 lid 5 BW gemotiveerd heeft weersproken.
De advocaat van verweerders (de executeurs) hebben de aanspraken van verzoekster op de meer vermelde verzorgingsvruchtgebruiken gemotiveerd betwist met als grond het ontbreken van een verzorgingsbehoefte.
Verzorgingsvruchtgebruik van artikel 4:29 en 4:30 BW. Verzorgingsbehoefte.
Het hof stelt voorop dat verzoekster die ten tijde van het overlijden van erflater tezamen met hem de woning bewoonde door haar onterving door erflater diens erfgenamen in beginsel kan verplichten mee te werken aan de vestiging van het recht van vruchtgebruik op die woning en de daarbij behorende inboedel.
Van belang is voorts dat tot de nalatenschap van erflater slechts de onverdeelde helft van deze woning behoort. Verzoekster is eigenaar van de andere onverdeelde helft en verzoekster en erflater waren met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen gehuwd.
De verzorgingsbehoefte van verzoekster ter zake van het verzorgingsvruchtgebruik van artikel 4:29 BW wordt verondersteld en het ligt op de weg van de erfgenamen – de kinderen van erflater uit zijn eerste huwelijk en ter zake vertegenwoordigd door de executeurs – om die in beginsel veronderstelde verzorgingsbehoefte gemotiveerd te betwisten (artikel 4:33 lid 2 letter a BW).
Waar het verzorgingsvruchtgebruik van artikel 4:30 BW betreft, ligt het op de weg van verzoekster om haar verzorgingsbehoefte aannemelijk te maken.
Tussen partijen is niet in geschil dat verzoekster tijdig aanspraak heeft gemaakt op beide verzorgingsvruchtgebruiken.
Verzorgingsvruchtgebruik artikel 4:29 BW
Verzoekster heeft gewezen op haar leeftijd van 77 jaar en op het feit dat zij alleen woont. Daarmee is gegeven dat er voor haar geen mogelijkheden zijn haar inkomen te vermeerderen door arbeid en dat er geen huisgenoten zijn die kunnen bijdragen in de kosten van haar huishouding, waaronder eventueel huurtermijnen of verwervingskosten van een andere woning.
Thans betaalt zij € 120,- per maand aan hypotheeklasten. De helft daarvan moet eigenlijk door de erfgenamen worden betaald, omdat erflater medeschuldenaar was van die hypotheekschuld. Zij is financieel volledig afhankelijk van haar pensioen, dat volgens haar netto € 1.288,77 per maand bedraagt. Voorts heeft verzoekster aangevoerd dat zij, gezien haar bescheiden financiële middelen, niet in staat is passende vervangende woonruimte te vinden in de vrije huursector, niet is ingeschreven bij een woningbouwcorporatie en ook geen indicatie heeft voor een verzorgingstehuis.
Evenmin heeft zij de middelen om een andere woonruimte te verwerven. Het is noch gesteld noch gebleken dat verzoekster een eigen vermogen heeft anders dan haar aandeel in de woning. Bovendien woont zij al 33 jaar in de woning en is zij ingebed in die sociale en kerkelijke omgeving en woont haar dochter in de nabije omgeving.
Het hof neemt als element voor de beoordeling van de verzorgingsbehoefte van verzoekster mee dat de woning voor de helft aan haar in mede-eigendom behoort. Het gaat in deze zaak thans dus niet om een woning die uitsluitend aan erflater toehoorde, dan wel aan diens nalatenschap. Het gaat om het vruchtgebruik op de onverdeelde helft van de woning behorende tot de nalatenschap van erflater. Vaststaat dat de woning nog onverdeeld is en desgevraagd heeft verzoekster ter zitting nog verklaard dat zij de verdeling nog 3 jaar zou willen uitstellen. Ook met dit vruchtgebruik wordt beoogd een vangnet te bieden in de vorm van een passende voorziening indien en voor zover de verzorging van verzoekster niet is gewaarborgd (Hoge Raad, 8 juni 2006 HR:2007:BA2507).
In het licht van het vorenstaande in onderlinge samenhang beschouwd rechtvaardigen de omstandigheden van het geval dat verzoekster behoefte heeft aan voortgezette bewoning van de deels aan haar in eigendom toebehorende woning en daarmee aan het recht van vruchtgebruik van de tot de nalatenschap van erflater behorende onverdeelde helft in die woning.
Het hof zal de verweerders-executeurs verplichten tot medewerking aan de vestiging van het levenslang vruchtgebruik op de woning en de daarbij behorende inboedel. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de erfgenamen als hoofdgerechtigden de kantonrechter in voorkomend geval kunnen verzoeken het vruchtgebruik te beëindigen (artikel 4:33 lid 1 BW). Anders dan verweerders kennelijk menen, worden nalatenschapscrediteuren beschermd door artikel 4:31 lid 1 BW en is het bestaan van die eventuele schuldeisers geen reden het vruchtgebruik niet te vestigen.
Verzorgingsvruchtgebruik artikel 4:30 BW
Verzoekster onderbouwt haar verzoek door te stellen dat zij een aanvullende behoefte heeft van € 548,00 netto per maand. Verzoekster is daarbij uitgegaan van de zogenaamde Hofnorm en niet van haar feitelijke behoefte.
Artikel 4:30 BW is echter eveneens een vangnetbepaling en het had dan ook op de weg van verzoekster gelegen om in het licht van de gemotiveerde stellingen van verweerders aannemelijk te maken in hoeverre het verzorgingsvruchtgebruik van artikel 4:30 BW een passende voorziening is om in de kosten van haar huidige leefpatroon – dat beperkter is dan haar oude leefpatroon met erflater – te voorzien. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verzoekster vanwege het verzorgingsvruchtgebruik van artikel 4:29 BW geringe woonlasten zal hebben. De beslissing van de kantonrechter met betrekking tot het onderhavige verzorgingsvruchtgebruik zal worden bekrachtigd.
Uitbreiding bevoegdheden vruchtgebruiker?
Verzoekster heeft niet, dan wel onvoldoende onderbouwd waarom haar verzorgingsbehoefte het nodig maakt dat haar op de voet van artikel 4:31 BW de bevoegdheid wordt verleend het vruchtgebruik-vermogen – in dit geval de woning en de daarbij behorende inboedel – te vervreemden en te verteren.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de verdeling en afwikkeling van een erfenis, over de taken en bevoegdheden van een executeur, over de legitieme of over het vestigen van vruchtgebruik en de verzorgingsbehoefte, belt u dan gerust met onze advocaat erfrecht op 020-3980150.