Van onze advocaat erfrecht. Op 16 mei 2017 heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch uitspraak gedaan over de vraag of bij een erfenis sprake was van een schenking of van een geldlening.

Met de grief betoogt de advocaat van appellante dat zij op 17 april 2014 van de spaarrekening van erflaatster een bedrag van € 7.500,- aan haarzelf en een gelijk bedrag aan geïntimeerde heeft overgemaakt. In het kader van het financiële beheer door haar van de spaarrekening van erflaatster was zij als mederekeninghoudster bevoegd voornoemde transactie uit te voeren. Erflaatster heeft over het beheer van haar betaalrekening geen rekening en verantwoording gevraagd aan appellante. Van haar kan na overlijden van erflaatster geen rekening en verantwoording door geïntimeerde worden gevorderd. Dit klemt te meer nu geïntimeerde de transactie heeft voorgesteld, aldus de advocaat van appellante.

De advocaat van geïntimeerde betoogt dat niet kan worden aangenomen dat erflaatster met deze betalingen heeft ingestemd. Erflaatster was aldus geïntimeerde op 17 april 2014 niet in staat haar wil te bepalen.

Het hof oordeelt dat tussen partijen niet in geschil is dat appellante het financiële beheer voerde over de gelden van erflaatster op de spaarrekening waarvan 2 keer een bedrag van € 7.500,- is afgeboekt.

Voorts is tussen partijen niet in geschil dat erflaatster op 17 april 2014 haar wil niet kon bepalen. Appellante stelt dat er vanuit mag worden gegaan dat erflaatster met de betalingen heeft ingestemd, omdat zij geen rekening en verantwoording heeft gevraagd.

Dit betoog van appellante gaat evenwel niet op. Of van instemming met betalingen mag worden uitgegaan is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Nu niet in geschil is dat erflaatster op 17 april 2004 haar wil niet kon bepalen, kan erflaatster niet worden geacht met de betalingen te hebben ingestemd. Omstandigheden die tot een ander oordeel moeten leiden zijn gesteld nog gebleken. (Hoge Raad, 9 mei 2014, HR:2014:1089).

Van een schenking van erflaatster, zoals appellante de onderhavige betalingen, blijkens haar standpunt betitelt is aldus geen sprake. Het voorgaande betekent dat zonder rechtsgrond is betaald en dat, zoals het hof ambtshalve aanvult, onverschuldigd is betaald.

Met de tweede grief betoogt de advocaat van appellante dat geen sprake is van een geldlening welke zij moet terugbetalen. In of omstreeks oktober 2005 is door erflaatster aan ieder van haar kinderen een geldbedrag overgemaakt. Aanvankelijk zou er een bedrag van € 32.533,- worden overgemaakt aan ieder van de drie kinderen. Door het overlijden van een broer van appellante en geïntimeerde is diens deel tussen de overige kinderen verdeeld. Volgens appellante is sprake van een schenking. In het kader van estate-planning is het, zo betoogt appellante, niet ongebruikelijk aan kinderen een geldlening te verstrekken die vervolgens wordt omgezet in een schenking of wordt kwijtgescholden. Dikwijls gebeurt dit, zo betoogt appellante, in een afzonderlijke akte of schuldbekentenis, welke naar het lijkt ontbreekt dan wel niet is overgelegd. Appellante heeft bewijs aangeboden. Volgens appellante zou de notaris die de akte in 2005 heeft opgesteld daarover kunnen verklaren, zo ook de financieel adviseur die destijds betrokken was bij het afsluiten van de hypothecaire lening.

Geïntimeerde heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een lening voor een bedrag van € 45.000,-. Uit de bewoordingen van de schuldbekentenis de datum 20 oktober 2005 kan niet anders worden afgeleid dan dat het daarin genoemde bedrag aan appellante is geleend, terwijl het meerdere boven € 32.533,00 te weten een bedrag van € 12.467,- eveneens op basis van geldlening is verstrekt.

Naar het oordeel van het hof is het overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv aan geïntimeerde, die dit stelt en daaraan rechtsgevolgen verbindt, om te bewijzen dat sprake is van een lening. Het standpunt van geïntimeerde dat appellante moet bewijzen dat het bedrag van € 12.467,- een schenking betreft gaat niet op. Het standpunt van appellante dat geen sprake is van een lening betreft immers een betwisting van de stelling van geïntimeerde.

Ten aanzien van het bedrag ad € 32.533,- acht het hof voorshands bewezen dat sprake is van een lening. Uit de tekst van de schuldbekentenis van 20 oktober 2005 valt niet af te leiden dat sprake is van een schenking, terwijl appellante haar betoog dat sprake is van een schenking niet met de door haar genoemde akte heeft onderbouwd.

Heeft u vragen over de verdeling van een erfenis, de omvang van een erfenis of over de vereffening of verdere afwikkeling van een erfenis, belt u dan gerust onze advocaat erfenis op 020-3980150.