Van onze advocaat erfrecht. Onlangs heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan over de opheffing van een testamentaire last op grond van artikel 4:134 BW.
Het verzoek strekt primair tot opheffing van de testamentaire last en subsidiair tot wijziging van de testamentaire last, als volgt. Het voormalige woonhuis van erflaatster te gelde te maken en de waarde daarvan toe te voegen aan het vermogen van verzoekster, onder opheffing van de last een kettingbeding ten aanzien van de hondenbegraafplaats te hanteren.
Ter onderbouwing van haar verzoek heeft de advocaat van verzoekster aangevoerd dat er geen behoefte meer is aan het door erflaatster beoogde zusterhuis, omdat het verzorgingscentrum inmiddels zelf slaapgelegenheid heeft gerealiseerd voor het personeel. Uit onderzoek is gebleken dat de woning in de huidige staat en met de huidige last niet voor andere, al dan niet zorg gerelateerde doeleinden kan worden gebruikt. Dat betekent dat bij handhaving van de last en het kettingbeding het woonhuis wellicht jarenlang leeg staat, terwijl de vaste lasten en onderhoudskosten doorlopen. Zonder wijziging van de last en bij handhaving van het kettingbeding wordt slechts ingeteerd op het vermogen van de stichting, aldus de advocaat van verzoekster.
Opheffen van een testamentaire last
Het verzoek van de stichting is gebaseerd op artikel 4:134 lid 1 sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van deze wetsbepaling kan de rechter op verzoek van degene op wie de last rust, de last wijzigen of geheel of gedeeltelijk opheffen op grond van na het overlijden van erflaatster ingetreden omstandigheden, welke van dien aard zijn dat de ongewijzigde instandhouding van de last uit een oogpunt van de daarbij betrokken persoonlijke en maatschappelijke belangen ongerechtvaardigd zou zijn. Op grond van artikel 4:134 lid 2 BW dient de rechter daarbij zoveel mogelijk de bedoeling van erflaatster in acht te nemen. Niet vereist is dat de wijziging van omstandigheden niet door de erflaatster was voorzien.
Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 4:134 BW en de jurisprudentie volgt dat het bij de beantwoording van de vraag of een testamentaire last gewijzigd of opgeheven dient te worden niet zo zeer aankomt op wat redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen. Het artikel geeft veeleer een voorziening met het oog op testamentaire lasten die door na het overlijden van de erflater ingetreden omstandigheden hun zin verloren hebben, niet meer met de bedoeling van de erflater overeenstemmen of aanpassing behoeven aan hun maatschappelijke strekking of aan het algemeen belang. Een testamentaire last mag niet lichtvaardig worden gewijzigd of opgeheven en bij wijziging dient te worden gezocht naar een oplossing die zoveel mogelijk recht doet aan de bedoeling van de erflater met de die last.
De rechtbank is van oordeel dat de ongewijzigde instandhouding van de last uit het oogpunt van de bij die specifieke last betrokken persoonlijke en maatschappelijke belangen ongerechtvaardigd is. Zij overweegt daartoe het volgende.
Erflaatster had de uitdrukkelijke wens om haar woonhuis na haar overlijden ter beschikking te stellen voor tijdelijke woonruimte voor stagiaires of verplegend personeel van het nabijgelegen verzorgingscentrum.
Vast staat dat verzorgingscentrum gemelde behoefte niet meer heeft: zijn heeft, zo blijkt uit de overgelegde stukken, inmiddels zelf op eigen terrein alsnog voldoende slaapgelegenheid voor het personeel gerealiseerd. Bovendien is er, door een andere inrichting van de zorg, minder behoefte aan slaapplaatsen.
Verzoekster heeft gezocht naar bestemmingen voor het woonhuis die zo dicht mogelijk bij de door erflaatster voorgestane bestemming zouden liggen. Zo heeft verzoekster onder meer onderzocht of het woonhuis zou kunnen dienen als tijdelijke opvang van zorgbehoevenden of als dagbesteding of als hospice. Daarvoor bleek het huis niet, althans niet anders dan na grote investeringen, geschikt.
De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, met verzoekster, van oordeel dat aan de door erflaatster gegeven instructie geen opvolging kan worden gegeven, zonder dat aan het weergegeven doel van de stichting afbreuk wordt gedaan. Dat bij gebreke van die opvolging, zoals verzoekster stelt, het woonhuis verkocht dient te worden, teneinde te voorkomen dat de vaste lasten en de kosten van onderhoud het vermogen van de stichting blijven belasten, acht de rechtbank zeer aannemelijk.
Gelet op het hiervoor weergegeven kader waarbinnen het verzoek tot opheffing of wijziging van de last dient te worden getoetst, dient de vraag te worden beantwoord of de feitelijke onmogelijkheid om aan gemelde instructie opvolging te geven een ingetreden omstandigheid is die van dien aard is, dat de ongewijzigde instandhouding van de last uit een oogpunt van de daarbij betrokken persoonlijke en maatschappelijke belangen ongerechtvaardigd zou zijn. Die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend.
Erflaatster heeft met haar testament blijk gegeven van een grote betrokkenheid bij de zorg voor en het welzijn van degenen die vanwege hun lichamelijke of geestelijke gesteldheid op verzorging door anderen zijn aangewezen: zij heeft haar nagenoeg haar gehele, zeer aanzienlijke vermogen ten dienste gesteld van die zorg en verzoekster opgericht om dat vermogen ten dienste van die zorg te beheren.
De afweging tussen de door erflaatster in haar testament genoemde belangen is een bijzondere: het gaat immers niet om een afweging van een door erflaatster gestipuleerd belang enerzijds en een, wat de rechtbank maar aanduidt als een buiten het testament gelegen, persoonlijk of maatschappelijk belang, maar om een rangschikking van twee slechts vanwege het testament bestaande en derhalve binnen het testament gelegen belangen.
Bij die rangschikking prevaleert naar het oordeel van de rechtbank het belang met het positieve maatschappelijke effect, te weten het belang van financiering van zorg.
Zoals hiervoor overwogen, is het zeer aannemelijk dat het woonhuis verkocht zal moeten worden. Verzoekster heeft betoogd dat het woonhuis met het door de last opgelegde kettingbeding een fractie zal opbrengen van de opbrengst die zonder kettingbeding kan worden gerealiseerd: het woonhuis is gedateerd en bij eventuele nieuwbouw of ingrijpende verbouw zal de grond niet onaangeroerd kunnen blijven.
De rechtbank is ambtshalve bekend met het feit dat percelen aan de laan waaraan het woonhuis is gelegen, zeker als het betreft percelen, zoals het onderhavige perceel, met gedateerde bebouwing doorgaans worden verkocht als zeer gewilde bouwgrond. Dat betekent dat een potentiële koper de vrije hand zal willen hebben voor zijn nieuwbouwplannen en, bij gebreke van die vrije hand, niet zal kopen of veel minder zal willen betalen.
Door de verkoop van het woonhuis wordt het liquide vermogen van verzoekster vergroot en nemen de vaste lasten van verzoekster af, waardoor verzoekster meer geld beschikbaar kan stellen ten behoeve van haar doelen. Van die verruiming van verzoeksters fondsen zullen derhalve meer projecten en instellingen kunnen profiteren. De rechtbank zal het perceel bevrijden van de effecten van de last.
Heeft u vragen over de opheffing van een testamentaire last, over de uitleg van een testament of over de verdeling en afwikkeling van een erfenis, belt u dan gerust onze advocaat erfrecht op 020-3980150.