Van onze advocaat legitieme. De Rechtbank Gelderland heeft op 20 september 2018 uitspraak gedaan over een verzoek tot opheffing van een testamentair bewind.
Testamentair bewindvoerder heeft aan de rechtbank opheffing van het testamentair bewind verzocht (art. 4:178 lid 2 BW). Het verzoek is niet ingediend door een advocaat.
Op grond van artikel 281 lid 1 Rv is verzoeker in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen.
Bij brief van 16 juli 2018, herhaald op 29 augustus 2018, heeft de griffier van deze rechtbank aan verzoeker meegedeeld dat zijn verzoekschrift niet in behandeling kan worden genomen, nu een verzoekschrift tot opheffing van het testamentair bewind als bedoeld in artikel 4:178 lid 2 BW door tussenkomst van een advocaat bij de rechtbank moet worden ingediend.
Daarnaast is aan verzoeker meegedeeld dat artikel 281 lid 1 Rv bepaalt dat, indien een verzoekschrift ten onrechte niet door een advocaat is ingediend, de rechter verzoeker de gelegenheid biedt binnen een door hem te bepalen termijn dit verzuim te herstellen.
De rechter heeft verzoeker de gelegenheid geboden het door een advocaat ingediende en ondertekende verzoekschrift uiterlijk twee weken na dagtekening brief in te dienen.
Voor het geval verzoeker van deze gelegenheid geen gebruik maakt, is hij gewezen op het rechtsgevolg daarvan, namelijk dat hij op grond van artikel 281 lid 1 Rv niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek.
Bij brief van 30 augustus 2018 heeft de gemachtigde van verzoeker meegedeeld dat zij contact heeft gehad met de advocaat van verzoeker en dat deze zaak verder geen gevolg zal hebben bij de rechtbank Gelderland.
Nu de zaak niet in behandeling is genomen, gaat de gemachtigde van verzoeker ervan uit dat de griffierechten à € 291,00 terugbetaald zullen worden.
Artikel 281 lid 1 Rv bepaalt dat, indien het verzoekschrift ten onrechte niet door een advocaat is ingediend, de rechter de gelegenheid biedt om binnen een door hem te bepalen termijn dit verzuim te herstellen.
Maakt de verzoeker van deze gelegenheid geen gebruik, dan wordt hij in zijn verzoek niet ontvankelijk verklaard. In de brief van 16 juli 2018, herhaald op 29 augustus 2018, is deze mogelijkheid tot herstel van dit verzuim aan verzoeker geboden en is verzoeker gewezen op de rechtsgevolgen, indien hij van deze mogelijkheid geen gebruik maakt.
Nu uit de brief van 30 augustus 2018 van de gemachtigde van verzoeker kan worden afgeleid dat verzoeker van de aan hem geboden gelegenheid tot herstel van het verzuim geen gebruik zal maken, dient hij niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek.
Op grond van artikel 3 lid 4 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken is de verzoeker het griffierecht verschuldigd vanaf de indiening van het verzoekschrift.
Het verzoekschrift van 27 juni 2018 is op 29 juni 2018 ontvangen door de rechtbank Gelderland. De datum van ontvangst wordt aangemerkt als de datum van indiening van het verzoekschrift, vanaf welke datum griffierecht verschuldigd is.
Anders dan de gemachtigde van verzoeker heeft gesteld, blijft het griffierecht verschuldigd, ook al wordt het verzoekschrift niet inhoudelijk behandeld (omdat het niet door een advocaat is ingediend) of wordt ingetrokken. Daarom zal het griffierecht niet worden gecrediteerd.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over in het instellen of het opheffen van een bewind of over de verschuldigdheid van griffierechten, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.