Van onze advocaat legitieme. De Rechtbank Noord-Holland heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over het vaststellen van de legitieme in een erfenis.
Eiser is de zoon van erflater. De erflater is overleden met achterlating van zijn toenmalige echtgenote met wie hij in gemeenschap van goederen was gehuwd. Bij testament heeft de erflater de echtgenoot als enig erfgename aangewezen. Eiser en zijn broer hebben aanspraak gemaakt op hun legitieme portie, welke legitieme portie opeisbaar zou worden bij het overlijden van de echtgenoot.
De langstlevende echtgenoot is overleden. In haar testament heeft zij gedaagden, voor gelijke delen, als enig erfgenamen aangewezen.
Eiser heeft de erfgenamen aangesproken tot betaling van zijn legitieme portie.
Vaststellen van legitieme. Vaststelling van de omvang van de nalatenschap. Zuivere en beneficiaire aanvaarding.
De rechter oordeelt als volgt.
Niet langer in geschil is dat eiser de zoon van erflater is. Aldus is niet in geschil dat hij na het overlijden van de erflater aanspraak kon maken, zoals hij ook heeft gedaan, op zijn legitieme portie in de nalatenschap van zijn vader.
De omvang van de legitieme portie is in dit geval, gelet op artikel 4:64 lid 1 BW en artikel 4:10 lid 1 onder a BW één-zesde deel van de nalatenschap.
Artikel 4:65 BW bepaalt dat de legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen der nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW.
De vraag is echter hoe groot de nalatenschap van de erflater was.
Volgens eiser bedroeg die € 35.225,-. De erfgenamen betwisten dat gemotiveerd. Zij stellen dat onvoldoende duidelijk is hoe groot die nalatenschap was omdat geen boedelbeschrijving is opgemaakt.
Dat verweer faalt. Er geldt op zich geen wettelijke verplichting om een boedelbeschrijving op te maken. Uit de informatie van de notaris uit 2007 blijkt dat de banksaldi van langstlevende echtgenoot en erflater gezamenlijk ten tijde van het overlijden van de erflater € 15.450,- bedroegen. De rechter heeft geen aanleiding daaraan te twijfelen. Daarnaast was er een inboedel. De aard, omvang en waarde van de inboedel zijn verder niet weergegeven. Slechts vermeld is dat de verzekerde waarde van de inboedel € 55.000,- was. Feit van algemene bekendheid is echter dat de economische waarde van reguliere inboedelzaken een fractie is van de verzekerde (vervangings-)waarde.
Nu partijen geen enkel aanknopingspunt hebben gegeven waaruit kan worden afgeleid dat de inboedel in 2007 enige bijzondere zaken bevatte, gaat de rechter er schattenderwijs van uit dat deze bij verkoop op 18 mei 2007 € 550,- zou hebben opgebracht. Het vermogen van erflater en echtgenoot gezamenlijk bedroeg derhalve € 16.000,-. Nu ervan uit kan worden gegaan dat zij in gemeenschap van goederen gehuwd waren, bedroeg de nalatenschap van € 8.000,-.
Niet betwist heeft eiser dat daarop als schuld van de nalatenschap in mindering moet komen de kosten van de begrafenis van de erflater, die de erfgenamen onbetwist op € 6.250,- hebben gesteld. Aldus bedroeg de nalatenschap waarover de legitieme portie berekend moest worden € 1.750,-. De legitieme portie van eiser bedroeg derhalve € 291,67 en voor dat bedrag heeft eiser een vordering op de langstlevende echtgenoot gekregen. Vermeerderd met rente tot de datum dat de vordering opeisbaar is geworden, bedroeg de vordering van eiser op de langstlevende echtgenoot € 340,55. Door het overlijden van de langstlevende echtgenoot is de vordering van eiser opeisbaar geworden.
De vraag is of de erfgenamen de nalatenschap van de langstlevende echtgenoot zuiver hebben aanvaard.
Anders dan de erfgenamen stellen, moet uit het handelen van de erfgenamen, bezien in het licht van artikel 4:192 lid 1 BW, worden aangenomen dat de erfgenamen zich als ‘heer en meester’ over de nalatenschap heeft gedragen, vergelijkbaar met de positie van bezitter in het algemene vermogensrecht, of als hij schulden der nalatenschap geheel voor eigen rekening neemt.
Zo hebben de erfgenamen de begrafeniskosten voor rekening genomen en hebben zij besloten, al dan niet op aandringen van de bank, het saldo van de bankrekening van de langstlevende echtgenoot naar henzelf doen overmaken en het goud van te verkopen. Deze handelingen gaan verder dan beheershandelingen. De erfgenamen worden daarom geacht de nalatenschap zuiver te hebben aanvaard. Deze keuze is onherroepelijk, zo blijkt uit artikel 4:190 lid 4 BW. De beneficiaire aanvaarding daarna heeft daarom geen effect. De erfgenamen zijn met hun privévermogen aansprakelijk voor de vordering van eiser.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de verdeling en vereffening van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over zuivere of beneficiaire aanvaarding van een nalatenschap of over schulden van de nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat legitieme op 020-3980150.