Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 26 oktober 2021 uitspraak gedaan over de privatieve bevoegdheid van de executeur bij de wettelijke verdeling en of sprake was  van een processueel ondeelbare rechtsverhouding.

De rechtbank heeft vonnis gewezen tussen enerzijds appellant als eiser, met aan zijn zijde als gevoegde partij zijn zuster en mede-erfgenaam, en anderzijds geïntimeerde in persoon en in haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap, als gedaagde.

Daarbij heeft de rechtbank appellant niet-ontvankelijk verklaard waar het betreft de vorderingen (die in hoger beroep enigszins is gewijzigd), voor zover deze waren gericht tegen geïntimeerde in de hoedanigheid van executeur.

De overige vorderingen van appellant heeft de rechtbank afgewezen.

In hoger beroep heeft appellant (in conventie) zijn eis gewijzigd en heeft hij zijn (aangepaste) vorderingen uitsluitend tegen geïntimeerde in persoon ingesteld.

Op de vordering (in reconventie) van de executeur heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de door haar in redelijkheid gemaakte en te maken kosten in verband met de gevoerde en te voeren procedures tussen de executeur en de kinderen van erflater, gelet op haar taak als executeur, hebben te gelden als schulden van de nalatenschap in de zin van artikel 4:7 lid 1 sub d BW.

Appellant is in de kosten veroordeeld, daarbij ook in de kosten van geïntimeerde in beide hoedanigheden.

Voor wat betreft de (terugbetaling van) proceskosten heeft appellant in dit hoger beroep geïntimeerde mede in haar hoedanigheid van executeur aangesproken.

Appellant komt in principaal hoger beroep op tegen het bestreden vonnis.

Voor alle weren heeft geïntimeerde in principaal appel een beroep gedaan op de exceptio litis plurium consortium en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van appellant in zijn vorderingen.

Voorts voert geïntimeerde aan dat appellant niet-ontvankelijk is in zijn appel voor zover dat is gericht tegen geïntimeerde in haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van erflater.

In incidenteel hoger beroep stelt geïntimeerde aan de orde dat, zolang zij executeur is en gelet op de privatieve bevoegdheid van de executeur, de erfgenamen niet zelfstandig bevoegd zijn in rechte op te treden.

Erfrecht. Wettelijke verdeling. Executele. Privatieve bevoegdheid van de executeur. Vaststelling van het erfdeel. Processueel ondeelbare rechtsverhouding? Exceptio litis plurium consortium. Ontvankelijkheid?

De rechter oordeelt als volgt.

Het hof zal beslissen op de ontvankelijkheidsverweren.

Geïntimeerde heeft aangevoerd dat in eerste aanleg de zus en mede-erfgenaam van appellant zich aan de zijde van appellant heeft gevoegd en dat, nu zus van appellant van het vonnis van de rechtbank niet in hoger beroep is gekomen, het vonnis tussen geïntimeerde en zus van appellant in kracht van gewijsde is gegaan.

Geïntimeerde stelt dat daarbij sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding en dat het daarom zeer onwenselijk is indien ten aanzien van appellant en zus van appellant verschillende inhoudelijke beslissingen worden genomen.

Nu zus van appellant door appellant niet mede in dit geding is opgeroepen, dient appellant in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus geïntimeerde.

Voorts voert geïntimeerde aan dat appellant niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vorderingen jegens geïntimeerde in haar hoedanigheid van executeur, omdat appellant geen vorderingen heeft op geïntimeerde in deze hoedanigheid maar in persoon, zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld.

Appellant stelt dat geen sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding.

Daarvan is volgens appellant sprake wanneer beslissingen gelijk dienen te luiden jegens alle erfgenamen en dat gaat in de praktijk over de wijze van verdeling van de nalatenschap.

In onderhavig geding gaat het echter om de persoonlijke vordering van een kind op de langstlevende echtgenoot uit hoofde van de wettelijke verdeling.

Daarbij voert appellant aan dat zus van appellant zich in eerste aanleg slechts gevoegd heeft aan de zijde van appellant en zelf geen vorderingen heeft ingesteld.

Dat zus van appellant niet in hoger beroep is gekomen kan dan niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van appellant.

Subsidiair verzoekt appellant gelegenheid te krijgen zus van appellant op de voet van artikel 118 Rv in het geding op te roepen.

Het hof oordeelt als volgt.

Vanwege de toepassing van de wettelijke verdeling volgens artikel 4:13 Burgerlijk Wetboek, hebben appellant en zus van appellant als kinderen van erflater ieder een niet-opeisbaar vorderingsrecht verkregen op geïntimeerde in persoon als langstlevende echtgenoot.

Een onverdeeldheid is niet ontstaan.

De vordering van appellant op geïntimeerde is een eigen, aan appellant toekomende vordering, die losstaat van de vordering die zus van appellant uit hoofde van de wettelijke verdeling op geïntimeerde heeft verkregen.

Het lot van de onderscheiden vorderingen van de kinderen op de langstlevende is niet noodzakelijkerwijs afhankelijk van de door een van hen uit hoofde van zijn eigen vordering ingestelde rechtsvordering.

Van een processueel ondeelbare rechtsverhouding is ten aanzien van de vorderingen van appellant in hoger beroep dan ook geen sprake, zodat appellant ontvankelijk is in zijn hoger beroep.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van appellant in zijn hoger beroep voor zover gericht tegen geïntimeerde in haar hoedanigheid van executeur, stelt het hof vast dat geïntimeerde in de eerste aanleg in hoedanigheid van executeur vorderingen in reconventie tegen appellant heeft ingesteld (te weten tot verklaring voor recht en vergoeding van proceskosten) en dat die vorderingen in het vonnis waarvan beroep zijn toegewezen.

Met zijn tweede grief en zijn overige grieven komt appellant op tegen de toewijzing van die vorderingen die door geïntimeerde in die hoedanigheid zijn ingesteld, zodat appellant eveneens ontvankelijk is in zijn hoger beroep voor zover gericht tegen geïntimeerde als executeur.

De, gelet op het voorgaande voorliggende, incidentele grief van geïntimeerde, waarmee zij betoogt dat appellant als erfgenaam niet zelfstandig bevoegd is om tijdens de executele in rechte op te treden, kan evenmin slagen.

De executeur is gedurende zijn beheer van de nalatenschap privatief bevoegd om de erfgenamen te vertegenwoordigen.

Aan de executeur komt derhalve een exclusieve bevoegdheid toe om in rechte op te treden ter zake van het beheer van de nalatenschap (zodat een erfgenaam onbevoegd is om zelfstandig in rechte als eiser of als gedaagde op te treden).

Dit staat echter los van de bevoegdheid van appellant de omvang en de opeisbaarheid van zijn vordering jegens geïntimeerde in persoon in rechte aan de orde te stellen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de wettelijke verdeling, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.